Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:7125

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 augustus 2022
Publicatiedatum
15 augustus 2022
Zaaknummer
200.312.935
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw en selectieve betalingen

Appellant was eigenaar van een eenmanszaak actief in de auto-onderdelenhandel en had schulden bij verschillende schuldeisers, waaronder Moto-Profil, zijn belangrijkste leverancier. Na het indienen van een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling verklaarde de rechtbank appellant niet-ontvankelijk. In hoger beroep werd appellant wel ontvankelijk verklaard, maar het verzoek inhoudelijk afgewezen.

Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Appellant kon niet verklaren aan wie de hoge schulden in zijn jaarrekeningen waren verschuldigd, noch hoe deze waren afgelost. Daarnaast bleek dat appellant selectieve betalingen had gedaan aan twee schuldeisers, terwijl de belangrijkste schuldeiser Moto-Profil werd benadeeld.

De selectieve betalingen werden gedaan terwijl het faillissement van appellant al was aangevraagd en zijn schuldsaneringsverzoek in behandeling was, wat niet acceptabel is. De omstandigheden die appellant aanvoerde, zoals het staken van zijn onderneming en het werken in loondienst, rechtvaardigden geen toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens ontbreken van goede trouw en het doen van selectieve betalingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.312.935
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 276801)
arrest van 15 augustus 2022
in de zaak van
[appellant],
die woont in [woonplaats1] ,
en hoger beroep heeft ingesteld,
hierna [appellant] te noemen,
vertegenwoordigd door mr. K. Meijer.

1.1. De procedure bij de rechtbank

1.1.
De vennootschap naar Pools recht Moto-Profil Spolka Z Ograniczona (hierna: Moto-Profil), een schuldeiser van [appellant] , heeft de rechtbank op 10 januari 2022 verzocht om [appellant] in staat van faillissement te verklaren. Ter afwending daarvan heeft [appellant] bij de rechtbank een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gedaan.
1.2.
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij vonnis van 4 juli 2022 [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn schuldsaneringsverzoek.

2.2. De procedure in hoger beroep

2.1.
[appellant] heeft bij beroepschrift, ontvangen op 11 juli 2022, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 juli 2022. [appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met één bijlage en van de V6-formulieren van mr. Meijer van 27 juli 2022 en 1 augustus 2022 met nadere stukken.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2022, waarbij [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.
[appellant] was van 2009 tot 1 januari 2022 eigenaar van een eenmanszaak die onder meer actief was onder de handelsnamen [naam1] . [appellant] handelde in auto-onderdelen. Hij kocht onderdelen in bij Moto-Profil. Sinds 1 januari 2022 is [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst als vertegenwoordiger in de auto-onderdelenhandel werkzaam bij het Duitse Firma [naam2] GmbH (hierna: [naam2] ).
3.2.
De rechtbank heeft het schuldsaneringsverzoek van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. In dat kader heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [appellant] geen door de Stadsbank gecompleteerd verzoekschrift schuldsanering heeft overgelegd.
3.3.
In hoger beroep heeft [appellant] verklaard één schuld te hebben, namelijk een schuld aan Moto-Profil van € 51.519,73. Op 24 januari 2022 heeft [appellant] aan Moto-Profil een betaling van € 7.500,- aangeboden, tegen finale kwijting. Moto-Profil heeft daarmee niet ingestemd. Verder had [appellant] op dat moment schulden aan zijn verhuurder [naam3] (hierna: [naam3] ) en aan zijn accountant De Eik Administratie en Advies (hierna: De Eik). [appellant] heeft twee overeenkomsten van kwijtschelding overgelegd, tussen hem en [naam3] en tussen hem en De Eik. Beide overeenkomsten zijn ondertekend en gedateerd op 6 januari 2022. In deze overeenkomsten is vermeld dat [appellant] op 6 januari 2022 schulden had aan [naam3] van € 7.000,- en aan De Eik van € 3.255,51 en dat deze schulden worden kwijtgescholden tegen betaling door [appellant] van een percentage van 20% van de schulden. [appellant] heeft op de zitting in antwoord op vragen van het hof verklaard dat de kwijtscheldingsovereenkomsten niet op 6 januari 2022 zijn gesloten. Volgens [appellant] zijn de overeenkomsten op 6 januari 2022 opgesteld en vervolgens aan [naam3] en De Eik aangeboden, maar hebben deze schuldeisers daar destijds niet mee ingestemd. Pas ná de zitting bij de rechtbank van 14 maart 2022 hebben [naam3] en De Eik ingestemd met het aanbod van [appellant] . De datum van 6 januari 2022 op de kwijtscheldingsovereenkomsten is echter nooit aangepast, aldus [appellant] . [appellant] heeft vervolgens, zo verklaarde hij nader, van zijn salaris dat hij had verdiend bij [naam2] de percentages van 20% betaald aan [naam3] en De Eik.
3.4.
Anders dan de rechtbank, acht het Hof [appellant] wel ontvankelijk in zijn verzoek om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Weliswaar stonden in het verzoekschrift WSNP de schulden aan [naam3] en De Eik niet vermeld terwijl die toen nog bestonden en is dat niet aangepast. Maar nu vaststaat dat die schulden kort daarna voor het resterende deel zijn kwijtgescholden kan dit verzuim naar het oordeel van het hof niet leiden tot niet-ontvankelijkheid. Daarmee komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
3.5.
Het hof stelt voorop dat het op grond van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b, Fw aan [appellant] is aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellant] moet om die reden aan de hand van stukken inzichtelijk maken welke schulden er zijn, aan wie deze zijn verschuldigd, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn. Daarin is [appellant] onvoldoende geslaagd.
3.6.
[appellant] heeft jaarrekeningen van zijn eenmanszaak overgelegd over de jaren 2019 en 2020. In de jaarrekening van 2020 is aan de passivazijde van de balans vermeld dat de eenmanszaak op 31 december 2019 en op 31 december 2020 voor bedragen van respectievelijk € 237.597,- en € 331.502,- schulden aan handelscrediteuren had. [appellant] heeft op vragen van het hof geantwoord dat hij niet weet aan wie de eenmanszaak deze schulden had. [appellant] heeft verklaard dat hij maar één leverancier van auto-onderdelen had, namelijk Moto-Profil. De schuld aan Moto-Profil is volgens [appellant] eerder ongeveer € 60.000,- geweest, maar heeft nooit € 237.597,- of € 331.502,- bedragen. Aan wie [appellant] dan wel dergelijke hoge schulden had kon hij niet vertellen. [appellant] heeft desgevraagd verklaard ook niet te weten hoe deze schulden zijn afgelost. Ook blijkt uit de jaarrekeningen niet dat tegenover de handelscrediteuren voorraden of handelsdebiteuren van [appellant] aan de activazijde van de balans staan. Ook daarover kon [appellant] geen opheldering geven. Verder is ten aanzien van het jaar 2021 geen jaarrekening opgemaakt, zodat niet kan worden nagegaan hoe hoog het bedrag aan handelscrediteuren op 31 december 2021 was. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellant] naast de schuld aan Moto-Profil van € 51.519,73 geen andere schulden heeft, of op zijn minst heeft gehad, waarbij alleen de schuld aan Moto-Profil onbetaald is gelaten. Ook andere vragen van het hof over de jaarrekeningen, zoals over privé-onttrekkingen, kon [appellant] in het geheel niet of onvoldoende beantwoorden. Opvallend is ook dat [appellant] in maart 2022 op de zitting bij de rechtbank spreekt over een huurschuld van € 20.000,- en een schuld aan de accountant van € 7.000,- terwijl later blijkt dat het om heel andere bedragen gaat.
Gelet op dit alles is bij het hof ernstige twijfel gerezen of [appellant] als ondernemer wel voldoende inzicht had in zijn financiële bedrijfsvoering en verantwoorde beslissingen heeft genomen wat betreft het aangaan en onbetaald laten van schulden. [appellant] heeft zodoende niet aannemelijk kunnen maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
3.7.
Bovendien is [appellant] sowieso niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schuld aan Moto-Profil, nu hij de schuldeisers [naam3] en De Eik heeft bevoordeeld ten opzichte van Moto-Profil. [appellant] heeft aan [naam3] en De Eik van zijn salaris van [naam2] betalingen gedaan van 20% van hun vorderingen. Op het moment dat [appellant] de betalingen deed was zijn faillissement al aangevraagd en was zijn schuldsaneringsverzoek in behandeling bij de rechtbank, waardoor de selectieve betalingen niet meer aanvaardbaar waren. [appellant] had zijn gelden onder zich moeten houden, zodat deze in een faillissement of schuldsanering zouden kunnen worden verdeeld onder de schuldeisers. In plaats daarvan is hij een regeling aangaan met slechts een deel van zijn schuldeisers, wat niet is toegestaan. Anders dan [appellant] stelt, kan niet worden gezegd dat de betalingen aan [naam3] en De Eik dusdanig laag waren dat Moto-Profil daardoor niet is benadeeld. Overigens heeft [appellant] aan Moto-Profil, anders dan aan [naam3] en De Eik, geen aanbod gedaan van 20% van haar vordering, maar slechts een percentage van circa 15%.
3.8.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan [appellant] toch kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling is het hof niet gebleken. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden dat hij zijn onderneming heeft gestaakt, momenteel in loondienst werkt en hij zonder toelating tot de schuldsaneringsregeling geen nieuwe start kan maken, kunnen er niet toe leiden dat zijn schuldsaneringsverzoek moet worden toegewezen.
3.9.
Het voorgaande betekent dat het hof [appellant] wel ontvangt in zijn verzoek, maar dat dit verzoek zal worden afgewezen. Het hoger beroep faalt daarmee.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 4 juli 2022 en doet opnieuw recht;
wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] af.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, H.C. Frankena en A.E. de Vos en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2022.