ECLI:NL:GHARL:2022:7200

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 augustus 2022
Publicatiedatum
17 augustus 2022
Zaaknummer
Wahv 200.273.161
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 13 WahvArt. 2 WahvArt. 27 SvArt. 126g Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rechts inhalen tijdens trouwstoet zonder schending privacy

De betrokkene kreeg een sanctie van €230 opgelegd wegens rechts inhalen op de Rijksstraatweg te Wassenaar tijdens deelname aan een trouwstoet. De betrokkene voerde aan dat sprake was van een langdurige observatie zonder redelijk vermoeden van schuld en dat haar privacy was geschonden. Ook werd aangevoerd dat de overtreding niet juist was vastgesteld.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter voldoende heeft gemotiveerd en dat de sanctie terecht is opgelegd. Er was geen sprake van een onrechtmatige observatie of inzet van strafvorderlijke middelen. Het volgen van een trouwstoet voor toezicht op verkeersregels vormt geen schending van het recht op privacy. De betrokkene is niet individueel gevolgd of geïdentificeerd voordat de overtreding werd geconstateerd.

De argumenten over de locatie en tijdstip van de overtreding werden verworpen, evenals het verzoek om matiging van de sanctie wegens financiële omstandigheden. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €230 voor rechts inhalen tijdens deelname aan een trouwstoet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.273.161/01
CJIB-nummer
: 220815413
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 5 december 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is R.A. Goemmatov, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 oktober 2018 om 16.05 uur op de Rijksstraatweg in Wassenaar met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert – kort samengevat – aan dat er sprake is geweest van een langdurige achtervolging van de bruiloftstoet. De ambtenaren hebben hiermee gebruik gemaakt van strafvorderlijke voorzieningen in de zin van de artikelen 126g en 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarbij moet op grond van artikel 27 Sv Pro sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld. Het gaat hier echter om een vrouw met twee jonge kinderen, die in een geleende auto in de trouwstoet meereed. Uit de gegevens blijkt dat het om een trouwstoet gaat die zich aan lichte verkeersovertredingen schuldig maakte, en niet om aan misdrijf gerelateerde zaken. Het openbaar ministerie (het hof begrijpt: de ambtenaar) heeft het vermoeden van schuld gebaseerd op een anonieme melding van een aangever. Nu er zware opsporingsmiddelen zijn ingezet, terwijl er niet is voldaan aan de eisen, dienen de bewijsstukken te worden uitgesloten als onrechtmatig verkregen bewijs. Daarnaast is er inbreuk gemaakt op de privacy als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 10, tweede lid, van de Grondwet (Gw). In deze zaak is geen sprake van een kortstondige waarneming, waarvan in de rechtspraak wordt aangenomen dat de persoonlijke levenssfeer niet zodanig in het geding is dat daarvoor speciale bevoegdheid is vereist, maar van een langdurige observatie. Daarbij benadrukt de gemachtigde dat het ging om een 26,9 km durende observatie. Verder voert de gemachtigde aan dat ter hoogte van het kruispunt Rijkswaterstraat (het hof begrijpt: Rijksstraatweg) en Van der Oudermeulenlaan sprake is van blokmarkering op de weg. Gelet op artikel 11, tweede en vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 mocht de betrokkene links van de blokmarkering voorgesorteerde voertuigen rechts voorbij rijden. Ter onderbouwing is bij het administratief beroepschrift een foto van de situatie ter plaatse bijgevoegd. Ook voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar voor meerdere gedragingen op het genoemde kruispunt geverbaliseerd heeft. De betrokkene reed achteraan en is vrijwillig gestopt. De ambtenaar heeft de gedraging dus niet kunnen waarnemen. Ter onderbouwing is het zaakoverzicht overgelegd van een andere betrokkene, wiens gedraging een minuut later is geconstateerd, terwijl betrokkene achter in de stoet reed en zelf voor de politiefuik gestopt heeft. De tijd op de beschikking klopt niet, terwijl die volgens het hof wel juist moet zijn. Bovendien liggen de locaties van de gedraging zo ver uit elkaar dat de ambtenaar niet binnen één minuut acht kilometer verder kan zijn. De betrokkene meent dat het niet meer duidelijk is waar en op welk tijdstip de vermeende gedraging is geconstateerd, aangezien de ambtenaar verschillende verklaringen aflegt. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter niet is ingegaan op alle aangevoerde gronden.
3. Het hof stelt voorop dat de wet geen nadere eisen aan de motivering stelt, ook niet de eis dat op alle argumenten expliciet en uitgebreid dient te worden gereageerd. Naar het oordeel van het hof is de beslissing van de kantonrechter met redenen omkleed overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de Wahv en is geen sprake van een motiveringsgebrek.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Betrokkene maakte deel uit van een bruiloftstoet die meerdere verkeersovertredingen pleegde. Ik zag betrokkene op de Rijksstraatweg een voertuig rechts inhalen. Er waren geen omstandigheden van toepassing welke deze overtreding rechtvaardigden danwel noodzakelijk maakten. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: De auto die ik rechts inhaalde reed 50 op de linkerrijstrook.”
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Op 20 oktober 2018 omstreeks 16.05 bevond ik mij in Wassenaar op de Rijksstraatweg. Ik was door de meldkamer verzocht uit te kijken naar een stoet van bruiloftsvoertuigen die asociaal verkeersgedrag vertoonde. (…) Ik zag tussen de stoet voertuigen een Audi A3 sportback rijden, voorzien van kenteken [kenteken] . Dit was op de genoemde Rijksstraatweg. Ter plaatste is de Rijksstraatweg daar 2 rijstroken breed. De twee rijstroken zijn gescheiden door een deelstreep. Ik zag dat het betrokken voertuig op de linker rijstrook achter een ander voertuig reed. Op enig moment zag ik dat betrokkene het voertuig naar de rechter rijstrook verplaatste en het voertuig wat hier eerst voor reed, rechts inhalen.
Betrokkene voert aan dat zij rechts van een blokmarkering reed toen zij inhaalde. Dit is echter niet waar, betrokkene haalde rechts in over de rechter rijstrook, rechts van een gewone deelstreep.”
7. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de verklaringen van de ambtenaar geenszins dat hij de betrokkene volgde. Dat de meldkamer hem verzocht heeft uit te kijken naar de trouwstoet betekent niet dat de ambtenaar de betrokkene volgde. Voor zover (andere) politieambtenaren de stoet in de gaten hebben gehouden in verband met het verkeersgedrag, is niet gebleken dat het voertuig waarin de betrokkene reed als zodanig is gevolgd, noch dat haar bewegingen zijn vastgelegd.
8. Met betrekking tot de verwijzing van de gemachtigde naar het redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv Pro, overweegt het hof als volgt. De tweede volzin van artikel 2, eerste lid, Wahv bepaalt dat voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten. Dat houdt in dat de voorschriften van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering inzake de opsporing, vervolging en berechting niet van toepassing zijn, tenzij deze in de Wahv zelf van toepassing worden verklaard. Het hof stelt vast dat de door de gemachtigde van de betrokkene bedoelde strafvorderlijke voorzieningen niet van toepassing zijn verklaard. Daar komt bij dat door de gemachtigde niet aannemelijk is gemaakt dat zware opsporingsmiddelen als omschreven in de door de gemachtigde genoemde artikelen van het Wetboek van Strafvordering zijn ingezet en, gelet op wat onder 7. is overwogen, blijkt uit het dossier ook niet dat er sprake is van een dergelijke observatie of informatie-inwinning. Het verweer dat bewijs moet worden uitgesloten faalt.
9. De grond ten aanzien van de inbreuk op de privacy kan ook niet slagen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat waar het toezicht op de naleving van verkeersgedragingen betreft, bestuurders van voertuigen en kentekenhouders redelijkerwijs niet kunnen verwachten dat zij voor de toezichthoudende ambtenaren onopgemerkt blijven (vgl. het arrest van het hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). Bij deelname aan het verkeer op de openbare weg mag een betrokkene er in beginsel niet op rekenen onbevangen zichzelf te kunnen zijn, zodat bij toezicht op de naleving van verkeersregels het recht op privacy niet snel geschonden zal zijn. Het over enige afstand volgen van voertuigen ten einde toezicht te houden op de naleving van verkeersregels levert een dergelijke inbreuk op zichzelf niet op.
10. In de onderhavige zaak staat onvoldoende vast dat de betrokkene als zodanig over langere afstand is gevolgd. Voor zover de trouwstoet als groep is gevolgd, zijn enkel de gegevens vastgelegd die betrekking hebben op de waargenomen gedraging. Evenmin blijkt dat de deelnemers van de trouwstoet op enige wijze zijn geïndividualiseerd of geïdentificeerd, anders dan nadat een ambtenaar geconstateerd had dat een betrokkene een verkeersovertreding had begaan. Dat meerdere sancties zijn opgelegd aan meerdere deelnemers van de trouwstoet, rechtvaardigt niet de conclusie dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene is aangetast.
11. In wat de gemachtigde verder heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar. Op de foto die de gemachtigde in administratief beroep heeft overgelegd zijn twee rijstroken van de Rijkstraatweg te zien, alsmede een links daarvan gelegen voorsorteerstrook met blokmarkering voor verkeer dat linksaf wil slaan. De ambtenaar verklaart duidelijk dat de betrokkene een voertuig rechts van een gewone deelstreep inhaalde. Dat de ambtenaar in een kort tijdsbestek meerdere gedragingen heeft waargenomen, leidt niet tot twijfel aan diens verklaringen. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
12. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
13. Voor zover de tijd op de inleidende beschikking niet juist zou zijn overweegt het hof dat de betrokkene is staandegehouden. Het hof is van oordeel dat nu de betrokkene is staandegehouden, het de betrokkene duidelijk was welke gedraging haar werd verweten. Dit blijkt ook uit wat de betrokkene bij staandehouding heeft verklaard en wat in de beroepschriften is aangevoerd. Er kan bij de betrokkene dan ook redelijkerwijs geen misverstand zijn ontstaan omtrent de vraag om welke gedraging het gaat en waartegen zij zich heeft te verdedigen.
14. Verder doet de gemachtigde in hoger beroep een beroep op de beperkte financiële ruimte van de betrokkene en wordt verzocht om het bedrag van de sanctie te verlagen. De gemachtigde merkt daarbij op dat ter onderbouwing nog nadere stukken zullen worden overgelegd. Dat is echter niet gebeurd. Nu de persoonlijke situatie van de betrokkene onvoldoende is onderbouwd, zal het hof dit verzoek passeren.
15. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.