ECLI:NL:GHARL:2022:7379

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 augustus 2022
Publicatiedatum
29 augustus 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.153/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 62 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Art. 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden in geslotenverklaring ondanks betwisting bebording

De betrokkene werd gesanctioneerd wegens het rijden in strijd met een geslotenverklaring (bord C1) op de Beekstraat te Hengelo op 6 juli 2019. De kantonrechter vernietigde aanvankelijk de beslissing van de officier van justitie, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze beslissing in hoger beroep.

De betrokkene voerde aan dat de geslotenverklaring niet vastgesteld kon worden omdat de ambtenaar niet had waargenomen dat hij het bord passeerde en dat de bebording niet deugdelijk was. Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar, die ter plaatse was en het bord C1 had gezien, voldoende bewijs vormt. De betrokkene had niet aannemelijk gemaakt dat het bord ontbrak of onzichtbaar was.

Verder overwoog het hof dat het gebruik van de weg verboden is zolang de geslotenverklaring geldt, ook als niet is vastgesteld dat het bord werd gepasseerd. De betrokkene stelde dat een andere feitcode had moeten worden toegepast, maar het hof wees dit af vanwege het hogere sanctiebedrag bij die code.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De sanctie van €95 blijft daarmee van kracht.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €95 voor het rijden in strijd met de geslotenverklaring en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.153/01
CJIB-nummer
: 227735099
Uitspraak d.d.
: 29 augustus 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 8 oktober 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen (feitcode R550a).” Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2019 om 19.17 uur op de Beekstraat in Hengelo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld, omdat de ambtenaar blijkens de (aanvullende) verklaring niet heeft waargenomen dat de betrokkene de geslotenverklaring is gepasseerd. Ook blijkt uit de gegevens in het dossier niet dat sprake was van deugdelijke bebording ten tijde van de vermeende gedraging en of de bebording correct was toen de betrokkene de geslotenverklaring passeerde. De ambtenaar heeft foto’s van de bebording ter plaatse overgelegd, maar niet blijkt van welk moment deze foto’s dateren. Ook is geen schouwrapport aanwezig. Een en ander heeft tot gevolg dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat voornoemd voertuig geparkeerd stond in het geslotenverklaring gebied in de Beekstraat, te Hengelo. Ik zag dat dit gebied aangegeven was middels bord C1 met de volgende tekst: uitgezonderd laden en/of lossen tussen 07.00 uur tot 12.00 uur. Ik zag geen RVV ontheffing in voornoemd voertuig. (…)
Overtreden artikel: 62 jo. bord C1 RVV 1990”
5. Verder bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 16 oktober 2019 in het dossier, waarin de ambtenaar - voor zover relevant – het volgende verklaart:
“Betrokkene gaf in zijn verklaring aan dat er geen borden aanwezig waren op zijn locatie. Dit klopt niet, bij alle invalswegen het centrum in staan C1 borden met onderbord “afbeelding van een vrachtwagen, laden en lossen tussen 07.00 en 12.00 uur en uitgezonderd fietsers” (zie bijlage 1). (…)
Zoals aangegeven hierboven, de reden dat betrokkene een proces-verbaal heeft gehad is omdat hij met zijn voertuig in het geslotenverklaringsgebied stond.”
6. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar waaruit volgt dat ten tijde van de gedraging een bord C1 aanwezig was. Het hof overweegt hierbij dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd ter plaatse was en dat in een dergelijk geval in het algemeen mag worden aangenomen dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803). De grond treft geen doel en dat betekent dat hetgeen de gemachtigde met betrekking tot de bijgevoegde foto’s en het ontbreken van een schouwrapport heeft opgemerkt geen bespreking behoeft.
7. Voor zover de gemachtigde betoogt dat het voor de vaststelling van de gedraging is vereist dat de ambtenaar de betrokkene de geslotenverklaring heeft zien passeren, overweegt het hof als volgt.
8. Artikel 62 van Pro het RVV 1990 luidt: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden.” Bijlage 1 van het RVV 1990 houdt in dat bord C1 betekent: “gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee.”
9. Artikel 1 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat in het RVV 1990 en de daarop berustende bepalingen onder geslotenverklaring wordt verstaan: “verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken.”
10. Gelet op de hiervoor genoemde regelgeving is het, anders dan de gemachtigde meent, niet alleen verboden om de betrokken weg in te rijden, maar ook is het gebruikmaken van de betrokken weg niet toegestaan. Op grond van de verklaring van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat met het voertuig van de betrokkene gebruik is gemaakt van de Beekstraat op een tijdstip dat de geslotenverklaring gold. Dat de ambtenaar niet heeft gezien dat de betrokkene het bord C1 passeerde maakt niet dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De stelling van de gemachtigde dat het bord er mogelijk niet stond of niet goed zichtbaar was toen de betrokkene de geslotenverklaring passeerde (het hof begrijpt: toen de betrokkene de plaats waar het bord (goed zichtbaar) moest staan passeerde) dient door betrokkene aannemelijk te worden gemaakt. Dat is niet gebeurd. De gedraging staat vast.
11. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat feitcode R550b had moeten worden toegepast, omdat fietsers zijn uitgezonderd van de geslotenverklaring. Het wijzigen van de feitcode is echter niet mogelijk, omdat voor de gedraging die bij die feitcode hoort een hoger sanctiebedrag geldt.
12. Zowel feitcode R550a als feitcode R550b betreft de overtreding van artikel 62 jo Pro. bord C1 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Volgens de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv ziet feitcode 550a op het gebruiken van de weg in het algemeen (in de tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen, uitgave januari 2019, omschreven: “als bestuurder in strijd met bord C1 (gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee) een weg gebruiken”).
Feitcode R550b ziet, blijkens de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv op het gebruiken van een weg(gedeelte) bestemd voor aangewezen categorie(ën) voertuigen (doelgroepstroken) (in de tekstenbundel omschreven: “als bestuurder in strijd met bord C1 (gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij-, trekdieren of vee) een weg(gedeelte) bestemd voor aangewezen categorie(ën) voertuigen gebruiken (doelgroepstroken)”).
13. In het kader van de Wahv heeft een ambtenaar een discretionaire bevoegdheid om, in geval een gedraging is verricht, daarvoor een sanctie op te leggen dan wel daarvan af te zien. Deze discretionaire bevoegdheid brengt mee dat in een geval als dit, waarin een gedraging is verricht die valt onder zowel een algemene feitcode als een specifieke feitcode, terwijl bij die algemene feitcode een lager sanctiebedrag hoort dan bij de specifieke feitcode, de ambtenaar een sanctie mag opleggen voor de gedraging die valt onder de algemene feitcode. De opvatting van de gemachtigde miskent dit en vindt daarom geen steun in het recht (vergelijk het arrest van dit hof van 16 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11554).
14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.