In deze civiele kortgedingprocedure stond centraal de vraag of Achmea Schadeverzekeringen N.V. gehouden is aan de uitspraak van de Commissie van Beroep van het Kifid van 14 juni 2021, waarin Achmea werd veroordeeld tot het voldoen van uitkeringen uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan [geïntimeerde]. De rechtbank had de vordering tot naleving toegewezen, maar Achmea stelde hoger beroep in met het verzoek deze vordering af te wijzen.
Het hof oordeelde dat de Kifid-uitspraak kwalificeert als een bindend advies en daarmee een vaststellingsovereenkomst is waarop de bepalingen van Boek 7 Titel 15 BW van toepassing zijn. Achmea had onvoldoende concrete feiten aangevoerd om het bindend karakter te betwisten, terwijl uit verklaringen en gedragingen bleek dat beide partijen uitgingen van de bindende werking.
Het hof verwierp het verweer van Achmea dat de vordering in kort geding onvoldoende spoedeisend belang had voor uitkeringen die vóór het arrest opeisbaar waren. Voor uitkeringen na het arrest werd het spoedeisend belang niet erkend, omdat een bodemprocedure voor vonnis stond. De dwangsomveroordeling werd vernietigd vanwege de complexiteit en onduidelijkheid over de precieze nakoming. De proceskosten werden aan Achmea opgelegd, en het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.