Lentis, een zorginstelling, verhuurde een woning aan [naam1] in het kader van het begeleid-wonentraject 'Proefwonen'. [naam1] veroorzaakte sinds maart 2020 aanhoudende overlast, waaronder geluidsoverlast en vervuiling, ondanks waarschuwingen en pogingen tot begeleiding. De onderhuur- en woonbegeleidingsovereenkomsten werden door Lentis opgezegd vanwege niet-naleving.
De kantonrechter wees de vordering tot ontruiming af, maar Lentis ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat Lentis voldoende had onderbouwd dat er sprake was van overlast en dat zij haar bevoegdheid tot beëindiging van de overeenkomsten in redelijkheid had uitgeoefend. De overlast was geconcretiseerd met meldingen van omwonenden en documentatie van Lefier.
Het hof stelde vast dat de vordering tot ontruiming in kort geding toewijsbaar is omdat met redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter de ontruiming zal toewijzen. De ontruimingstermijn werd vastgesteld op drie maanden om Lentis de gelegenheid te geven een passende zorg- en woonsituatie voor [naam1] te realiseren.
De proceskosten in eerste aanleg blijven voor rekening van Lentis, omdat zij haar vordering onvoldoende had onderbouwd. In hoger beroep werd de Kredietbank als bewindvoerder veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde dwangsom werd afgewezen omdat ontruiming via gerechtsdeurwaarder kan worden afgedwongen.