Uitspraak
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde2] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of geïntimeerden zich onrechtmatig hadden gedragen door zonder toestemming van appellante twee grote geldbedragen over te boeken naar hun eigen rekening en of de vordering tot terugbetaling daarvan nog toewijsbaar was.
Appellante stelde dat zij niet wist van de overboekingen en dat het geld zonder haar medeweten was overgemaakt. Geïntimeerden ontkenden dit en stelden dat zij slechts inzage hadden en niet gemachtigd waren tot overboekingen. Het hof concludeerde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat geïntimeerden de overboekingen zelf hadden verricht of daartoe bevoegd waren.
Daarnaast oordeelde het hof dat de vordering tot terugbetaling was verjaard, omdat appellante al in 2012 op de hoogte had kunnen zijn van de overboekingen gezien haar toegang tot bankgegevens en transacties. Haar stelling dat zij pas in 2018 kennis nam van de overboekingen was onvoldoende onderbouwd.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, waarbij de vordering tot terugbetaling wegens verjaring wordt afgewezen.