ECLI:NL:GHARL:2022:7696

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 september 2022
Publicatiedatum
7 september 2022
Zaaknummer
200.288.968/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en proceskostenveroordeling in schadevergoeding wegens slecht bewind

In deze zaak was verzoekster in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter Noord-Nederland inzake schadevergoeding wegens slecht bewind. Verweerster, als bewindvoerder, had verweer gevoerd en verzocht om niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en veroordeling in proceskosten.

Verzoekster heeft bij brief van haar advocaat het hoger beroep ingetrokken, waarmee zij de gronden van het hoger beroep niet handhaafde. Het hof verklaarde verzoekster daarop niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling stelde verzoekster dat zij reeds in zeven soortgelijke zaken in de kosten was veroordeeld en dat het materieel om dezelfde rechtsvraag ging, waardoor kosten slechts eenmaal gemaakt zouden zijn. Verweerster handhaafde haar verzoek tot proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief.

Het hof oordeelde dat de zaken juridisch nagenoeg identiek zijn, maar dat er zaakspecifieke werkzaamheden verricht moesten worden vanwege verschillen in betrokkenen en aard van vorderingen. Daarom stelde het hof de proceskosten aan de zijde van verweerster vast op een halve punt (€ 393,50). Het hof veroordeelde verzoekster in deze kosten en verklaarde de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en veroordeeld in de proceskosten van verweerster tot € 393,50.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.288.968/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8758374)
beschikking van 1 september 2022
inzake
Stichting [verzoekster] (voorheen: Stichting [naam1] en Stichting [naam2] ) dan wel [verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats1] respectievelijk [vestigingsplaats2] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: voorheen mr. D. van der Wijk te Roden, thans mr. H.C. Bijleveld te Amsterdam,
en
[verweerster] B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [naam3],
gevestigd te [vestigingsplaats3] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. E.P. Groot te Groningen.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[verzoekster] is in hoger beroep gekomen van deze beschikking bij beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 januari 2021 en hersteld op 1 april 2021.
2.2
[verweerster] heeft verweer gevoerd en heeft het hof verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, althans haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen en [verzoekster] te veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties.

3.De motivering van de beslissing

Intrekking
3.1
[verzoekster] heeft bij brief van haar advocaat mr. Bijleveld, ingekomen ter griffie van het hof op 10 juni 2022, laten weten dat zij het hoger beroep in deze zaak wenst in te trekken.
Het hof maakt hieruit op dat [verzoekster] de gronden van het hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoeken in hoger beroep.
Proceskosten
3.2
Naar aanleiding van het verzoek van [verweerster] tot een proceskostenveroordeling, heeft [verzoekster] bij voornoemde brief van 10 juni 2022 - samengevat - zich op het volgende standpunt gesteld. [verzoekster] is van mening dat geen plaats is voor een kostenveroordeling omdat zij in zeven soortgelijke zaken waarin een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in de uitgesproken beschikkingen al in de kosten is veroordeeld. Het gaat volgens [verzoekster] materieel om één en dezelfde rechtsvraag en de kosten van het verweer zijn feitelijk dus ook maar één keer gemaakt.
3.3
[verweerster] heeft bij brief van 23 juni 2022 het verzoek tot een proceskostenveroordeling gehandhaafd en daarbij is gesteld dat die per zaak conform het liquidatietarief dient plaats te vinden.
3.4
Het hof ziet aanleiding om [verzoekster] als de in het ongelijk te stellen partij te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
Omdat de bestreden beschikking een ambtshalve beschikking van de kantonrechter betreft zijn de kosten voor de procedure in eerste aanleg nihil.
Voor de kosten in hoger beroep zal het hof om de navolgende redenen een halve punt toekennen (principaal hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op hof, tarief I, € 787,- per punt, 0,5 punt = € 393,50). Deze zaak maakt deel uit van een cluster van 92 zaken, waarvan er in overleg met alle belanghebbenden zeven zaken op zitting zijn behandeld. In die zeven zaken heeft het hof op 19 mei 2022 beschikkingen gegeven, waarbij [verzoekster] telkens in de proceskosten van het hoger beroep is veroordeeld. Alle 92 zaken, waarvan mr. Groot ongeveer de helft behandelde, zijn juridisch gezien nagenoeg identieke zaken, maar alle zaken verschillen wat betreft de persoon van de rechthebbende/betrokkene alsmede de aard en de hoogte van de vorderingen, waardoor steeds enige zaakspecifieke werkzaamheden moeten zijn verricht. Bovendien is niet in alle zaken dezelfde bewindvoerder/curator benoemd en is in een aantal zaken de onderbewindstelling/ ondercuratelestelling inmiddels beëindigd. In de zaken waarin mr. Groot verweerschriften heeft ingediend moesten ook per individuele zaak proceshandelingen worden verricht.
Het vorenstaande, in samenhang bezien, maakt dat het hof de kosten voor de procedure in dit hoger beroep aan de zijde van [verweerster] begroot op € 393,50,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep;
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van [verweerster] in dit hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] op € 393,50 voor salaris van de advocaat;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, I.A. Vermeulen en W.C. Haasnoot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 1 september 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.