Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1997 gehuwd en in 2017 gescheiden waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw betaalt. De vrouw heeft een relatie met een ander en verbleef langdurig bij hem tijdens de coronapandemie vanwege praktische redenen, zoals het thuiswerken van hun dochter en mantelzorg voor haar broer.
De man stelde dat de vrouw met haar partner samenwoonde als waren zij gehuwd, waardoor zijn alimentatieplicht zou eindigen. Het hof toetste dit aan de restrictieve criteria van artikel 1:160 BW Pro, waaronder affectieve relatie, duurzame aard, wederzijdse verzorging, samenwonen en gemeenschappelijke huishouding.
Het hof concludeerde dat het verblijf van de vrouw bij haar partner tijdelijk en noodgedwongen was door uitzonderlijke omstandigheden en dat zij haar sociale leven in haar eigen woonplaats bleef onderhouden. Er was daarom geen sprake van samenwoning als gehuwd.
De grieven van de man faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat de alimentatieplicht blijft bestaan. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De partneralimentatieplicht van de man blijft bestaan omdat geen sprake is van samenwoning als waren zij gehuwd.