ECLI:NL:GHARL:2022:7888

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 september 2022
Publicatiedatum
14 september 2022
Zaaknummer
21-002029-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 OpiumwetArt. 3a lid 5 OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij hennepkwekerij

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, die verdachte vrijsprak van het tenlastegelegde feit van hennepteelt, heeft het hof het vonnis vernietigd om opnieuw recht te doen. Verdachte werd beschuldigd van het telen en aanwezig hebben van circa 1510 hennepplanten in een ondergrondse ruimte in een schuur.

De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van 9 maanden, gebaseerd op verklaringen van medeverdachten die een persoon met de voornaam [voornaam] en achternaam gelijk aan verdachte noemden, en op groeischema’s met de naam van verdachte. Verdachte ontkende elke betrokkenheid en verwees naar het ontbreken van telefoongegevens en DNA-sporen.

Het hof onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De verklaringen van medeverdachten wezen op een andere persoon met dezelfde voornaam, en de vondst van groeischema’s met de naam van verdachte was onvoldoende bewijs. Het hof sprak verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij hennepkwekerij.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002029-20
Uitspraak d.d.: 14 september 2022
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 16 juni 2020 met parketnummer 18-930012-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 16 juni 2020, waartegen het hoger beroep van het Openbaar Ministerie is gericht, vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 7 september 2017 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, in een ondergrondse (zee)container en/of ruimte (kelder), in een schuur bij een pand aan de [adres] , heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (telkens) (in totaal) ongeveer 1510 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; art 11 lid 5 Opiumwet Pro.

Vrijspraak

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit dient te worden veroordeeld. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij onder meer blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] over ene ‘ [voornaam] ’, waarbij [medeverdachte 1] in eerste instantie de achternaam ‘ [naam] ’ noemt maar zich later corrigeert en de achternaam ‘ [verdachte] ’ noemt. Als de politie onderzoek doet daar de achternaam ‘ [naam] ’, wordt vastgesteld dat er niemand in de omgeving van [plaats 3] woont met de naam ‘ [voornaam] [naam] ’, die antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet. Verder is de desbetreffende ‘ [voornaam] ’ waar [medeverdachte 1] over heeft verklaard afkomstig uit de wijk [naam van wijk] ; verdachte heeft aan de [straat] in de wijk [naam van wijk] gewoond. Ook reed de desbetreffende ‘ [voornaam] ’ in een Opel Astra en had hij een moeder die in [plaats 2] woonachtig zou zijn; verdachte had in de periode van 20 september tot 21 maart 2017 een Opel Astra op zijn naam en zijn moeder heeft tot 20 januari 2016 in [plaats 2] gewoond. Tot slot zijn er in de hennepkwekerij groeischema’s aangetroffen met de naam ‘ [verdachte] ’ erop.
Standpunt van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, omdat hij geen enkele bemoeienis heeft gehad met de hennepkwekerij, hetgeen onder meer blijkt uit het ontbreken van telefonisch contact tussen verdachte en de familie [medeverdachte 1] , dan wel met de andere medeverdachten, en het ontbreken van DNA-sporen van verdachte in de hennepkwekerij.
Oordeel van het hof
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank omtrent het tenlastegelegde feit waar de rechtbank overweegt:

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Uit de inhoud van de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat ene [voornaam] uit de omgeving van [plaats 3] betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij. Echter, de rechtbank heeft noch uit de inhoud van het thans voorliggende strafdossier, noch uit verhandelde ter terechtzitting, de overtuiging gekregen dat verdachte ook daadwerkelijk de betreffende [voornaam] is over wie de medeverdachten verklaren. De omstandigheid dat in de aangetroffen hennepkwekerij twee groeischema’s zijn aangetroffen met daarop de naam “ [verdachte] ” geschreven, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod.’
In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof dat wat door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep als aanvullend is aangevoerd, er niet toe leidt dat het hof met betrekking tot het tenlastegelegde feit tot een ander oordeel komt. Het hof zal verdachte derhalve daarvan vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.J. Flach, griffier,
en op 14 september 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.