ECLI:NL:GHARL:2022:8087

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
20 september 2022
Zaaknummer
200.314.626/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 806 lid 1 onder b RvArt. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vader in hoger beroep gezagsbeëindiging minderjarige

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland het gezag van de vader over de minderjarige beëindigd en aan de moeder toegekend. De vader stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof onderzocht of het hoger beroep tijdig was ingesteld. De vader werd eind april door de moeder geïnformeerd over de beschikking en de inhoud daarvan, waarmee hij op andere wijze bekend werd met de beschikking. Vanaf dat moment had hij drie maanden om hoger beroep in te stellen.

Omdat het beroepschrift pas op 16 augustus 2022 bij het hof binnenkwam, overschreed de vader deze termijn. Het hof verklaarde de vader daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en in zijn verzoek tot schorsing, en kwam niet toe aan inhoudelijke beoordeling van het geschil.

De moeder was niet verschenen bij de mondelinge behandeling, de raad voor de kinderbescherming was niet aanwezig, en het hof baseerde zich op de processtukken en verklaringen van partijen. De beslissing werd op 20 september 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en verzoek tot schorsing wegens het niet tijdig instellen van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.314.626-01 en 02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 527315)
beschikking van 20 september 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W. de Hoop te Utrecht,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , verblijvende in het buitenland,
verweerster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.G. Kempenaars te Almere.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Bij deze beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader over [de minderjarige] (roepnaam: [de minderjarige] ), geboren [in] 2019 te [plaats1] , Oman, beëindigd en bepaald dat vanaf dat moment alleen de moeder het gezag heeft over [de minderjarige] en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 16 augustus 2022;
- het verweerschrift met producties;
- een journaalbericht van mr. Kempenaars van 2 september 2022 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 september 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door mr. A.P. van Stralen (kantoorgenoot van mr. De Hoop) en een tolk;
- mr. G. Thomas (kantoorgenoot van mr. Kempenaars) namens de moeder.
De raad voor de kinderbescherming is met bericht vooraf niet verschenen. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Allereerst is aan de orde de vraag of de vader zijn hoger beroep tijdig heeft ingesteld en (dus) ontvankelijk is in zijn hoger beroep en dus ook in zijn verzoek tot schorsing.
3.2
In zaken betreffende het personen- en familierecht, niet zijnde echtscheidingszaken, kan, in afwijking van artikel 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), krachtens artikel 806 lid 1 Rv Pro van een beschikking hoger beroep worden ingesteld:
( a) door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en
( b) door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
3.3
Het hof overweegt als volgt. Ondanks navraag bij de rechtbank Midden-Nederland, heeft het hof geen duidelijkheid verkregen over (de wijze van) de verzending van de bestreden beschikking door de rechtbank aan de vader. Wat daar ook van zij, vast staat dat vader in ieder geval niet tijdig in beroep is gekomen op basis van de grond onder (b).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader in dat kader laten weten dat hij eind april door de moeder op de hoogte is gesteld van het bestaan van de bestreden beschikking en van de inhoud daarvan. De vader heeft uitdrukkelijk verklaard dat de moeder hem toen ook heeft verteld dat hij na een paar maanden het gezag terug zou krijgen. De vader is op dat moment dan ook op een andere wijze bekend geworden met de bestreden beschikking als bedoeld in artikel 806 lid 1 onder Pro b Rv. Uiterlijk vanaf dat moment had hij drie maanden de tijd om hoger beroep in te stellen. Nu het beroepschrift van de vader pas op 16 augustus 2022 is ingekomen bij het hof, heeft de vader zijn hoger beroep niet tijdig ingesteld, zodat hij niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep en evenmin in zijn verzoek tot schorsing.
3.4
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het schorsingsverzoek en het hoger beroep van de vader.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn schorsingsverzoek en zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, P.B. Kamminga en D.J.M. van de Voort, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 20 september 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.