AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging boete wegens snelheidsovertreding binnen bebouwde kom ondanks verweren over meetafstand en bebording
De betrokkene werd beboet voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 14 km/u binnen de bebouwde kom op 31 januari 2020. Hij voerde verweren aan over het niet naleven van de CROW 96B-richtlijn, de afstand tussen het snelheidsbord en de meetplaats, en de zichtbaarheid van de bebording. Ook verwees hij naar een eerdere strafbeschikking waarbij een vergelijkbare overtreding werd vrijgesproken vanwege twijfel over de aanwezigheid van bebording.
Het hof oordeelde dat de CROW-richtlijn niet bindend is voor individuele weggebruikers en dat bij werk in uitvoering geen verkeersbesluit vereist is voor de bebording. De meetplaats werd vastgesteld op de locatie waar het voertuig werd geflitst, nabij het Van Heerbeeck College. De minimale afstand van 80 meter tussen het bord en de meetplaats was volgens het hof in acht genomen. De zichtbaarheid van de bebording was voldoende, mede door de geringe aanrijsnelheid.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de zaak van de betrokkene niet vergelijkbaar was met de eerder vrijgesproken zaak. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €174,- voor snelheidsovertreding en wijst de verweren af.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.294.198/01
CJIB-nummer
: 231655796
Uitspraak d.d.
: 2 februari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 9 maart 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Er zijn nog diverse e-mails van de betrokkene ontvangen.
Op 11 november 2021 is door de advocaat-generaal het standpunt voor de zitting overgelegd, in afschrift doorgezonden aan de betrokkene.
Op 17 januari 2022 is een e-mail van de betrokkene ontvangen. Deze e-mail is doorgezonden naar de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 januari 2022. De betrokkene is, zoals vooraf aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 174,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, met 14 km/h (verkeersbord A1 + wegwerk)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 januari 2020 om 10:13 uur op de Willem de Zwijgerweg in Best met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter en voert een drieledig verweer. De betrokkene voert aan dat voor het inrichten van de snelheidsbeperkende maatregel de CROW 96B-Werk in uitvoering niet is doorlopen en dat er geen vergunningen voor zijn afgegeven.
Daarnaast heeft de ambtenaar op ambtseed verklaard dat tussen het bord A1-30 en de meetapparatuur 164,9 meter zat, maar deze informatie is, zo stelt de betrokkene, evident niet correct. Volgens de betrokkene zijn de foto’s die bij het aanvullend proces-verbaal zijn gevoegd, niet genomen op de door de ambtenaar aangegeven positie. De door de ambtenaar gemeten afstand berust niet op waarheid en de betrokkene verwijst naar een foto waarop is te zien is dat je bij deze afstand geen zicht op het van Heerbeeck College hebt, terwijl op de flitsfoto de hoek van dit gebouw is te zien. Mocht de afstand als waarheid worden betiteld, dan wijst de betrokkene erop dat het bewuste A1-bord komend vanaf de rotonde richting de Koningin Beatrixlaan niet kon worden gezien. De betrokkene voert tot slot aan dat de kantonrechter een strafbeschikking heeft vernietigd voor een gelijkende constatering op dezelfde dag, in hetzelfde tijdraam, maar dan met een grotere snelheidsovertreding. Van deze strafbeschikking heeft de kantonrechter bepaald dat er niet bewezen is dat de bewuste bebording ter plaatse aanwezig was. De betrokkene vindt het zeer opmerkelijk dat een Mulderbeschikking in stand blijft terwijl van de zwaardere snelheidsovertreding is vrijgesproken.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de vermelding dat de toegestane maximumsnelheid ter plaatse 30 km/h bedroeg. De snelheidsmeting is volgens de gegevens in het zaakoverzicht uitgevoerd door middel van mobiele radarapparatuur, meer specifiek een MultaRadar CT. Bij rijrichting is vermeld dat het voertuig reed van de Ringweg naar het kruispunt Prinses Beatrixlaan.
5. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging. Hierop is voornoemd voertuig te zien. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Op deze foto is verder te zien dat het voertuig van de betrokkene zich vrijwel naast de borden A1-30+J16 (werk in uitvoering) bevind die, gelet op de informatie in het dossier, van toepassing waren voor bestuurders die in de tegenovergestelde rijrichting reden (van kruispunt Prinses Beatrixlaan naar de rotonde Ringweg).
6. Het dossier bevat verder een uitgebreid aanvullend proces-verbaal van 20 februari 2020. Hierin verklaart de ambtenaar -voor zover hier relevant- desgevraagd het volgende:
“ Situatie ter plaatse:
Bij aankomst op deze locatie constateerde ik verbalisant het volgende: (…) Ik zag dat op het wegdek in de rijrichting vanaf de rotonde Ringweg in de richting van Prinses Beatrixlaan de borden A1 30km en J16 stonden. Deze borden stonden ongeveer 25,38 mtr. vanaf de rotonde Ringweg rechts in de berm. Zie foto map foto 5 en 6. De totale afstand waarvoor deze beperking gold kan als volgt worden geduid. Voor verkeer op de rijrichting Prinses Beatrixlaan-Ringweg gold de beperking vanaf het bord ter hoogte van de inrit naar het Heerbeeck College tot aan de rotonde Ringweg. Dit stuk wegvak is in totaal 110,69 mtr. lang. Voor verkeer in de rijrichting Ringweg-Prinses Beatrixlaan gold de snelheidsbeperking vanaf het bord tot aan de kruising Prinses Beatrixlaan. Dit wegvak is vanaf de borden in totaal 451,64 mtr. lang. Dit is de totale afstand van het wegvak Ringweg-Prinses Beatrixlaan (477,02 mtr.) min de afstand van de Ringweg tot waar het bord staat (25,38 mtr.).
Borden conform wetgeving geplaatst
De tijdelijk toegestane maximale snelheid van 30 km/h in verband met wegwerkzaamheden was met de juiste bebording aangegeven. De borden stonden vanuit beide richtingen duidelijk zichtbaar en conform de toegestane voorgeschreven hoogte. (…)
Opstellen radarapparatuur
Vervolgens heb ik, verbalisant [de verbalisant] , het onopvallende dienstvoertuig, voorzien van de voornoemde radarapparatuur volgens de wettelijke procedure en geldende regels opgesteld. Ik heb hierbij rekening gehouden met de minimale afstand van 80 mtr. vanaf bord A1 voor de richting waarvoor de apparatuur werd ingesteld. Ik heb een afstand van 164,9 mtr. aangehouden. Ik controleerde deze voornoemde afstand met een geijkte lasergun. Zie foto map foto 8. Ik had me ervan vergewist dat ik het voornoemde onopvallende dienstvoertuig op een correcte wijze had gepositioneerd. Ik, verbalisant [de verbalisant] , stelde, als opgeleid en gecertificeerd bedienaar van voornoemde radarapparatuur de meetmiddelen volgens de geldende regels en werkwijze in en startte op 31 januari 2020 om 08:45 uur de snelheidsmeting. Ik heb de snelheidsmeting gestopt om 13:45 uur. (…)”
7. Bij het aanvullend proces-verbaal zijn in totaal acht afbeeldingen gevoegd. Op een Google Maps afbeelding heeft de ambtenaar (met afstandmeting) aangegeven waar de borden A1-30+J16 zich precies bevonden. Te zien is dat de borden circa 25,38 meter na de rotonde Ringweg zijn geplaatst. Ook heeft de ambtenaar een foto van de borden overgelegd waarop is te zien dat deze borden aan de rechterzijde van de weg staan en dat er achter deze borden werkzaamheden in de berm verricht worden. Op één foto, genomen vanaf het naastgelegen fietspad, is in de verte de rotonde Ringweg en de achterzijde van de borden A1-30+J16 te zien. De ambtenaar heeft, zoals hij ook in het aanvullend proces-verbaal heeft vermeld, een foto overgelegd van de lasergun. Als bijschrift bij deze foto staat: “afstand radarvoertuig tot bord A1 vanaf rotonde Ringweg”. Het enige wat uit deze foto kan worden afgeleid is dat in het display “0” (km/h) staat.
8. De ambtenaar heeft op 25 mei 2020 nog een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin hij onder meer aangeeft dat de foto waarop het bord A1-30+J16 is te zien, op 31 januari 2020 om 08:21 uur is genomen en dat de foto waarop in de verte de achterzijde van de borden is te zien op dezelfde dag om 10:25 uur is genomen.
9. Het hof stelt voorop dat door het CROW gegeven adviezen met betrekking de voorbereiding, uitvoering en beëindiging van werk in uitvoering op niet-autosnelwegen niet leidend zijn bij beoordeling van deze zaak. Een individuele weggebruiker kan aan een dergelijk advies, dat niet dwingend is en zich slechts tot de wegbeheerder richt, op zichzelf ook geen rechten ontlenen. Het hof zal in zoverre aan het verweer van de betrokkene voorbijgaan.
10. Voor zover de betrokkene stelt dat een (geldig) verkeersbesluit voor de bebording ontbreekt, overweegt het hof dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de inleidende beschikking niet relevant is of aan de bebording een (geldig) verkeersbesluit ten grondslag ligt. Het hof wijst daartoe op het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1055). Ten overvloede wijst het hof erop dat bij werk in uitvoering, zoals hier het geval was, een verkeersbesluit niet vereist is (vgl. artikel 17 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 34, aanhef en onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer). Het verweer van de betrokkene op dit punt treft derhalve geen doel.
11. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat de minimaal in acht te nemen afstand tussen de meetplaats en het bord met daarop de gewijzigde maximumsnelheid niet is nageleefd, overweegt het hof het volgende.
12. In artikel 2.2. van de Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers is bepaald dat de snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere snelheid gaat gelden. Om discussies of beroepschrift/brieven te voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de snelheidsmeting wordt een minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetlocatie. Bij een snelheid van 30 km/h dient een minimale afstand van 80 meter in acht te worden genomen tussen gebod en meetplaats. Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt.
13. Om te kunnen beoordelen of de juiste afstand tussen meetplaats en gebod in acht is genomen, dient het hof allereerst vast te stellen wat in het onderhavige geval de meetplaats is. Anders dan bij andere snelheidsmetingen, is er in het onderhavige geval, waarin sprake is van een snelheidsmeting met behulp van radarapparatuur, een grote afstand tussen de ambtenaar met het meetinstrument en het voertuig waarvan de snelheid wordt gemeten. De Instructie geeft een definitie van het begrip meetplaats. Volgens de Instructie is de meetplaats de locatie waar het voertuig zich bevindt op het moment dat de snelheid wordt gemeten.
14. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Uit de foto van de gedraging blijkt dat het voertuig van de betrokkene is gemeten ter hoogte van de ingang naar het terrein behorende bij het van Heerbeeck College. Het voertuig bevindt zich, zoals eerder vermeld, vrijwel naast de borden A1-30+J16 die van toepassing waren voor bestuurders die in de tegenovergestelde rijrichting reden (van kruispunt Prinses Beatrixlaan naar de rotonde Ringweg). Uit de verklaring van de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de afstand tussen deze borden en de rotonde Ringweg 110,69 meter bedroeg. Daarnaast verklaart de ambtenaar dat de borden die golden voor bestuurders in de rijrichting van de rotonde Ringweg naar kruispunt Prinses Beatrixlaan, de rijrichting van de betrokkene, circa 25,38 meter na de rotonde waren geplaatst. Dit betekent dat de afstand tussen de borden A1-30+J16 die bij de ingang naar het terrein van het van Heerbeeck College stonden en de plaats waar het voertuig is gemeten circa 85,31 meter (110,69-25,38 meter) bedroeg. De minimale afstand van 80 meter is derhalve in acht genomen. Daarnaast merkt het hof op dat het uitgangspunt is dat de snelheid bij het passeren van het gebod direct moet zijn aangepast. Dat er een minimale afstand tussen het gebod en de meetplaats aangehouden dient te worden is om bestuurders de gelegenheid te geven hun snelheid aan te passen en betreft in feite een soort van gedoogzone. In het onderhavige geval waren de borden kort na de rotonde geplaatst waardoor bestuurders met een geringe snelheid kwamen aanrijden. De ratio van dit artikel is derhalve in het onderhavige geval niet van toepassing omdat bestuurders niet meer hoefden af te remmen.
15. Over het verweer van de betrokkene dat de ambtenaar gelet op de zichtbaarheid van de hoek van het van Heerbeeck College niet op 164,9 meter afstand van de bebording heeft kunnen staan, het volgende. Gelet op de informatie in het dossier stond de ambtenaar op circa 79,59 meter (164,9-85,31 meter) van de meetplaats opgesteld. Uit de werkinstructie MultaRadar CT, te vinden op de website politie.nl, kan worden afgeleid dat het beeld van de overtreding kan worden in- of uitgezoomd hetgeen de advocaat-generaal ook ter zitting bij het hof heeft bevestigd. Dit in- of uitzoomen kan derhalve voor een vertekend beeld zorgen.
16. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent met de gemeten snelheid te hebben gereden, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
17. In aanmerking genomen de door de ambtenaar ingebrachte foto's van de situatie ten tijde van de gedraging, is het hof van oordeel dat er geen sprake was van een zodanig onduidelijke situatie, dat de betrokkene in redelijkheid geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van deze gedraging. Uitgaande van die foto’s zijn de borden A1-30+J16 kort na de rotonde Ringweg geplaatst. De borden zijn weliswaar vrij kort na de rotonde geplaatst, maar het was, mede ook gelet op de geringe aanrijsnelheid, wel zichtbaar dat er ter plaatse verkeersborden stonden. Dit verweer treft geen doel.
18. Met betrekking tot, zo begrijpt het hof althans, het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof dat volgens vaste jurisprudentie een dergelijk beroep alleen slaagt wanneer zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldend beleid.
19. Het hof stelt voorop dat het niet beschikt over de beslissing van de kantonrechter in de zaak waarnaar de betrokkene verwijst en evenmin over het aan die beslissing ten grondslag liggende dossier.
20. De advocaat-generaal heeft echter navraag gedaan en hieruit is gebleken, zo volgt uit zijn schrijven d.d. 9 november 2021, dat de aanvullende processen-verbaal die in het onderhavige dossier zijn gevoegd, niet aan het (straf)dossier waren toegevoegd en dat er daarom nog twijfel was over de plaatsing van de bebording. Deze twijfel heeft ertoe geleid dat in het voordeel van de betreffende betrokkene beslist. In de onderhavige zaak van de betrokkene is wél tijdig een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. De onderhavige zaak en de zaak waarnaar is verwezen, zijn dus geen gelijke gevallen. Reeds daarom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.
21. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal deze beslissing daarom bevestigen. Gegeven deze beslissing bestaat er geen recht op een proceskostenvergoeding.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.