ECLI:NL:GHARL:2022:8441

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 oktober 2022
Publicatiedatum
3 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.306.022/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 3, tweede lid Wahv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor door rood rijden op kruising in Rotterdam

De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd met een boete van €250 wegens het door rood rijden op 14 januari 2021 op een kruising in Rotterdam. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het hof vernietigt deze beslissing omdat de gemachtigde van de betrokkene niet behoorlijk was opgeroepen voor de zitting.

In hoger beroep ontkent de gemachtigde de overtreding en voert zij aan dat het verkeerslicht op het moment van passeren geel was, mede vanwege een fietser die door rood reed. Het hof beoordeelt de bewijsmiddelen, waaronder twee flitsfoto’s waarop het rode licht zichtbaar is en de roodlichttijden die op de foto’s vermeld staan. Hoewel er discrepanties zijn tussen de tijden in het zaakoverzicht en op de foto’s, acht het hof de foto’s leidend en betrouwbaar.

Het hof concludeert dat het voertuig het verkeerslicht heeft gepasseerd terwijl het rood licht brandde. De betrokkene heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het gele licht is gereden. De sanctie wordt daarom gehandhaafd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete voor door rood rijden wordt gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.306.022/01
CJIB-nummer
: 239031965
Uitspraak d.d.
: 3 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2021, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , woonachtig te [plaats1] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 september 2022. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat zij, ondanks haar verzoek daartoe en de bijgevoegde volmacht namens [de betrokkene] N.V., geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. De rechtbank Rotterdam geeft aan [de betrokkene] N.V. een oproeping per reguliere post te hebben toegestuurd. [de betrokkene] stelt de oproeping niet te hebben ontvangen en haar om die reden ook niet op de hoogte heeft kunnen stellen.
2. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
3. Anders dan aan de gemachtigde is medegedeeld, bevindt zich in het dossier een aan haar gerichte en correct geadresseerde brief van de griffier van de rechtbank van 6 oktober 2021, waarin zij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 3 november 2021. Deze brief is echter niet aangetekend verzonden.
Gelet hierop kan het hof - mede in het licht van het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank - niet vaststellen dat deze brief daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden. Het moet er dus voor worden gehouden dat de gemachtigde niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 januari 2021 om 23.42 uur op de N492 Groene Kruisweg kruising Koddeweg in Hoogvliet Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde van de betrokkene, die ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, ontkent de gedraging te hebben verricht. De gemachtigde voert daartoe aan dat
zij die avond het betreffende kruispunt naderde en dat het verkeerslicht voor rechts afslaand verkeer groen licht begon uit te stralen op het moment waarop zij de detectielus passeerde. Ongeveer twee seconden later veranderde het verkeerslicht naar geel, waarschijnlijk omdat er op dat moment van rechts een fietser voorlangs reed die duidelijk door rood fietste. De gemachtigde stelt dat zij het verkeerslicht is gepasseerd toen het geel licht uitstraalde en dat zij daarna is afgeremd voor de fietser die haar weg kruiste. Vermoedelijk heeft ze daarbij net de detectielus geraakt waardoor de flitsapparatuur is geactiveerd. De roodlichttijden van 539,7 en 540,3 die op de flitsfoto’s staan vermeld kloppen dan ook niet en wijken ook af van de roodlichttijd van 99.9 seconden die door de ambtenaar wordt genoemd. Verder verklaart de ambtenaar niks over de korte groentijd. Dit maakt de verklaring van de ambtenaar onbetrouwbaar.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd op twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het licht reeds 99.9 seconden.
Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.”
8. Het dossier bevat twee foto’s van de gedraging. De foto’s zijn donker. Op beide foto’s is te zien dat het bovenste verkeerslicht rood uitstraalt. Het is een feit van algemene bekendheid dat van een driekleurig verkeerslicht het bovenste licht het rode licht betreft. Uit de gegevens in de databalk onder de foto’s blijkt dat het verkeerslicht 539,7 seconden rood licht uitstraalde op de eerste foto. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig verder is gereden en zich voorbij het verkeerslicht bevindt. Op dat moment straalde het verkeerslicht 540,3 seconden rood licht uit.
9. Het hof merkt op dat onderhavige gedraging op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dit brengt mee dat de tekst in het zaakoverzicht automatisch door het roodlichtcontrolesysteem is gegenereerd. De vermelding dat het licht op het moment van constatering reeds 99.9 seconden brandde, is dan ook niet afkomstig van de ambtenaar. Dit laat echter onverlet dat er, zoals de gemachtigde aanvoert, een discrepantie bestaat tussen de roodlichttijd zoals vermeld in het zaakoverzicht en de roodlichttijden zoals weergegeven op de foto’s.
10. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft ter zitting aangegeven dat zij hierover navraag heeft gedaan bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Daaruit is gebleken dat in het zaakoverzicht geen hoger aantal seconden dan 99.9 seconden kan worden gegenereerd. Om die reden is er bij het CJIB de afspraak dat als de roodlichttijd langer dan 99.9 seconden is, er dan 99.9 seconden wordt opgenomen in het zaakoverzicht. Dit brengt mee dat moet worden uitgegaan van de roodlichttijden zoals vermeld op de foto’s. Dat er een discrepantie bestaat tussen het aantal seconden dat in het zaakoverzicht wordt genoemd en het aantal seconden op de foto's, brengt niet mee dat de gegevens om die reden onbetrouwbaar moeten worden geacht.
11. Voor de vaststelling van de onderhavige gedraging dient de vraag te worden beantwoord of het voertuig van de betrokkene het verkeerslicht is gepasseerd op het moment waarop het rood licht uitstraalde. Het hof is van oordeel dat op basis van de bovengenoemde foto’s kan worden vastgesteld dat het voertuig het verkeerslicht is gepasseerd, terwijl het rood licht uitstraalde. De situatie zoals geschetst door de gemachtigde en met name dat zij door het gele licht is gereden, blijkt niet uit de gegevens en is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld. Aanleiding om de sanctie te matigen is er niet.
12. Het voorgaande brengt mee dat het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond zal verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.