Uitspraak
[verzoeker] ,
€ 1.100,- (elfhonderd euro).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker heeft een vergoeding gevraagd voor gemaakte kosten van rechtsbijstand in een strafzaak betreffende een snelheidsovertreding uit 2013, die werd geseponeerd wegens ontbreken van vervolgingsrecht. De rechtbank wees dit verzoek af omdat, als de zaak aan de rechter was voorgelegd, onmiskenbaar een veroordeling zou hebben plaatsgevonden, waardoor geen gronden van billijkheid voor vergoeding aanwezig waren.
In hoger beroep betoogde verzoeker dat de sepotbeslissing als een eindbeslissing moest worden beschouwd, waardoor wel gronden van billijkheid voor vergoeding zouden bestaan. De advocaat-generaal stelde dat de rechtbank juist had beslist, maar dat bij een sepot wegens niet-ontvankelijkheid wel een gematigde vergoeding passend kon zijn.
Het hof oordeelde dat het criterium of de zaak onmiskenbaar tot veroordeling zou hebben geleid leidend is. Gelet op het proces-verbaal acht het hof dit het geval en bevestigt de afwijzing van de vergoeding voor rechtsbijstand. Wel kent het hof een vergoeding van € 1.100 toe voor de kosten van indiening en behandeling van het verzoek in eerste aanleg en hoger beroep.
De beschikking is op 5 oktober 2022 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand, maar kent een vergoeding toe voor de kosten van indiening en behandeling van het verzoek.