ECLI:NL:GHARL:2022:8631

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 oktober 2022
Publicatiedatum
10 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.303.040/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • mr. Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) betreffende het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, die op 24 september 2021 het beroep van de betrokkene ongegrond verklaarde. De betrokkene had een sanctie van € 240,- opgelegd gekregen voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 31 maart 2020. De gemachtigde van de betrokkene, mr. M. Lagas, stelde dat uit de foto's niet blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk een mobiel elektronisch apparaat vasthield. De betrokkene zou handsfree kunnen bellen en zijn telefoon zou in zijn broekzak zitten.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de zaak beoordeeld en vastgesteld dat de ambtenaar op basis van beelden had waargenomen dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthield. De foto's toonden aan dat de betrokkene met zijn rechterhand een voorwerp vasthield, terwijl hij met zijn linkerhand het stuur vasthield. Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar niet in twijfel getrokken kon worden, aangezien de gemachtigde van de betrokkene onvoldoende bewijs had geleverd dat het voorwerp geen mobiel elektronisch apparaat was.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak benadrukt het belang van bewijsvoering in verkeerszaken en de rol van de ambtenaar bij het vaststellen van gedragingen op de weg.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.303.040/01
CJIB-nummer
: 232923187
Uitspraak d.d.
: 10 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 24 september 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 maart 2020 om 17:09 uur op de A50 R in Vaassen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit de foto’s van de vermeende gedraging niet blijkt wat de betrokkene precies heeft vastgehouden. Het was in ieder geval geen mobiele elektronisch apparaat. De betrokkene kan in de auto handsfree bellen en de mobiele telefoon zit altijd in zijn broekzak. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:
“Ik, verbalisant, zag met een camerasysteem op basis van twee beelden met een tussentijd van 0,125 seconden dat de bestuurder van het voertuig tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vasthield. Ik heb daarbij duidelijk en onbelemmerd in het voertuig kunnen kijken. (…)”
5. In het dossier bevinden zich verder foto’s van de gedraging. Op deze foto’s is het voertuig van de betrokkene te zien, terwijl dat voertuig met de wielen van de bestuurderszijde op de ene rijstrook en met de wielen van de passagierszijde op de andere rijstrook rijdt. Op de ingezoomde foto is te zien dat (kennelijk) de betrokkene met zijn linkerhand het stuur vasthoudt. In zijn rechterhand houdt de betrokkene, naast het stuur, een donkerkleurig rechthoekig voorwerp vast. De betrokkene zit enigszins naar rechts gedraaid op de bestuurdersstoel en zijn ogen zijn gericht op het voorwerp in zijn rechterhand. Op de ene foto staat de mond van de betrokkene open, terwijl op de andere foto de mond gesloten lijkt.
6. Gelet op de foto’s in het dossier ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthield. Het hof voegt daar nog aan toe dat de gemachtigde onvoldoende heeft onderbouwd, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, dat het voorwerp dat de betrokkene vasthield niet een mobiel elektronisch apparaat was. De enkele stelling dat de betrokkene in zijn voertuig handsfree kan bellen en zijn mobiele telefoon daarom altijd in zijn broekzak zit, komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging en is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een van proceskostenvergoeding is er daarom niet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.