ECLI:NL:GHARL:2022:8805

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 oktober 2022
Publicatiedatum
13 oktober 2022
Zaaknummer
200.312.609
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind, welke door de kinderrechter was vastgesteld tot 14 maart 2023. De zaak betreft de situatie van een minderjarige die ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, waarbij de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen en het kind bij de vader woont.

Het hof heeft het rapport van een deskundige, [naam1], betrokken bij de beoordeling. Hierin wordt geconcludeerd dat de loyaliteitsproblemen van de minderjarige groter zijn dan zijn identiteitsontwikkeling, wat een concrete bedreiging vormt. Hoewel positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn door PMT, blijft actieve hulp en begeleiding noodzakelijk. De vader heeft stappen gezet richting individuele hulpverlening, terwijl de moeder nog geen concrete hulp heeft ingezet.

Gezien het feit dat de moeder pas na schriftelijke aanwijzing medewerking verleende en het moeilijk is afspraken met haar te maken, acht het hof het onwaarschijnlijk dat vrijwillige hulpverlening voldoende zal zijn. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 14 maart 2023 om de ontwikkeling van de minderjarige te beschermen.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter en wijst het beroep van de moeder af.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 14 maart 2023.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.312.609
(zaaknummer rechtbank Gelderland 399604)
beschikking van 13 oktober 2022
inzake
[verzoekster],
woonplaats [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Willemsen te Nijmegen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting
Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader],
woonplaats [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vader.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 18 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 juni 2022;
- het verweerschrift met producties, en
- een mailbericht van de GI van 2 augustus 2022 met productie.
2.2
[de minderjarige2] heeft bij brief, ingekomen op 3 augustus 2022, zijn mening gegeven over het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 19 september 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- twee zittingsvertegenwoordigers van de GI,
- de vader.
De raad voor de kinderbescherming was met bericht vooraf niet aanwezig.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 in [woonplaats1] ,
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [woonplaats1] .
De moeder en de vader zijn samen belast met het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader. Deze zaak gaat alleen over [de minderjarige2] .
3.2
Bij beschikking van 14 maart 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige2] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar. Die termijn van ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.
3.3
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de termijn van ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] verlengd van 14 maart 2022 tot 14 maart 2023.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] alsnog af te wijzen.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Het hof is van oordeel dat [de minderjarige2] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Niet aannemelijk is dat de moeder de zorg die [de minderjarige2] nodig heeft voldoende zal accepteren. Het hof is daarom net als de rechtbank van oordeel dat de ondertoezichtstelling tot 14 maart 2023 verlengd moet worden. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
5.3
Beide ouders en de GI onderschrijven de bevindingen en de adviezen van [naam1] in het rapport van 14 juli 2022. Dat advies houdt in dat er een concrete ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige2] is, namelijk dat zijn loyaliteitsproblemen groter zijn dan zijn identiteitsontwikkeling. Hoewel uit het rapport van [naam1] blijkt dat [de minderjarige2] , met behulp van PMT positieve ontwikkelingen doormaakt, wordt ook in het rapport geconcludeerd dat nodig blijft dat [de minderjarige2] actief keuzes kan maken voor zichzelf, en zijn gedachten en emoties beter weet uit te dragen in het contact met zijn ouders. [naam1] heeft de ouders geadviseerd individuele hulpverleningstrajecten aan te gaan om pijnen uit het verleden te verwerken/een plaats te kunnen geven, zodat zij uiteindelijk zonder hulpverlening in het belang van [de minderjarige2] kunnen communiceren.
5.4
Ten aanzien van de aan de ouders geadviseerde individuele hulpverleningstrajecten heeft de vader inmiddels een gesprek bij [naam1] gehad. Hij heeft daar afgesproken dat hij zijn zorgverzekering per 1 januari 2023 zal aanpassen waarna hij de hulp van een GZ-psycholoog zal aanvragen. Voor de moeder staat op 13 oktober 2022 een gesprek bij [naam1] gepland over de voor haar in te zetten individuele hulpverlening.
5.5
Omdat de moeder pas na een schriftelijke aanwijzing van de GI op 2 december 2021 haar medewerking heeft verleend aan het onderzoek van [naam1] , de GI hoort van [naam1] dat het moeilijk is om afspraken te maken met de moeder en de moeder op de mondelinge behandeling in tegenstelling tot de vader niet concreet heeft gemaakt welke hulp zij voor zichzelf gaat inzetten om de loyaliteitsproblematiek van [de minderjarige2] te verminderen, is niet aannemelijk dat hulpverlening in een vrijwillig kader in dit geval voldoende zal zijn.

6.De slotsom

Op grond van wat hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 18 maart 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en
D.J.I. Kroezen, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. J.H. Lieber, en is op 13 oktober 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.