De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, specifiek het halen en brengen van hun minderjarige kind. De ouders waren van 2000 tot 2019 een relatie aangegaan en delen het ouderlijk gezag over hun kind, geboren in 2006. Na de scheiding is er een ouderschapsplan opgesteld waarin het hoofdverblijf van het kind bij de moeder is en het kind in de oneven weken bij de vader verblijft.
De moeder en vader zijn het niet eens over wie het kind moet halen en brengen. De rechtbank had een regeling vastgesteld waarbij de moeder ongeveer 75% van het halen en brengen voor haar rekening neemt en de vader 25%. Beide ouders zijn tegen deze regeling in hoger beroep gegaan met tegengestelde verzoeken: de moeder wil een gelijke verdeling, de vader wil dat de moeder het volledig voor haar rekening neemt.
Het hof oordeelt dat de bestaande regeling in stand blijft omdat het halen en brengen goed verloopt en het belang van het kind voorop staat. De raad voor de kinderbescherming had een gelijke verdeling geadviseerd, maar het hof ziet geen noodzaak tot wijziging. Het hof benadrukt dat het onderliggende communicatieprobleem tussen de ouders de kern van het geschil is en raadt hen aan hulp te zoeken om de communicatie te verbeteren ten behoeve van het kind.
De grieven van beide ouders falen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.