In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland inzake de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene uit gewoonte witwassen in de periode 2010-2014.
Het hof heeft vastgesteld dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde strafbare feit. Uit het dossier blijkt dat de onverklaarbare inkomsten €139.106,- bedragen, een bedrag dat als compromis tussen de Belastingdienst en betrokkene is overeengekomen. Na aftrek van kosten, waaronder inkoop van goederen en overige bedrijfskosten, komt het hof tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van €86.677,50.
De waarde van de verbeurdverklaarde goederen wordt door het hof vastgesteld op €125.000,- winkelwaarde, waarvan 25% als inkoopwaarde wordt gehanteerd. Dit leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting met €31.250,-. De betalingsverplichting aan de Staat wordt daardoor vastgesteld op €55.427,50.
Het hof erkent de overschrijding van de redelijke termijn, maar acht compensatie in de strafzaak voldoende. De draagkracht van betrokkene is onvoldoende aannemelijk gemaakt om de vordering te verminderen. De maximale duur van gijzeling wordt vastgesteld op 1080 dagen, conform wettelijke voorschriften.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht met de genoemde vaststellingen en verplichtingen.