Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader
- een vertegenwoordiger namens de raad;
- de gezinsvoogd namens de GI.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling van een minderjarige, uitgesproken door de kinderrechter in Midden-Nederland op 19 mei 2022. De moeder, die het gezag uitoefent, was het niet eens met deze maatregel en verzocht het hof om vernietiging van de beschikking en afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling.
De ondertoezichtstelling was aanvankelijk noodzakelijk vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, veroorzaakt door spanningen in het gezin, waaronder hoogoplopende ruzies en uithuisplaatsing van de tweelingzussen. De minderjarige had extra zorg nodig vanwege haar zwakbegaafdheid en sociaal-emotionele achterstand. De moeder reageerde defensief op hulpaanbod en kon het gezag niet adequaat invullen.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat de situatie aanzienlijk was verbeterd: de minderjarige functioneert beter, onderhoudt contact met haar zussen, en de moeder toont initiatief in het zoeken van hulp. De raad voor de kinderbescherming concludeerde dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is. Het hof bekrachtigde de beschikking over de periode tot dat moment en hief de ondertoezichtstelling op met ingang van de datum van de uitspraak.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt met ingang van de uitspraak opgeheven wegens verbeterde situatie.