ECLI:NL:GHARL:2022:9058

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 oktober 2022
Publicatiedatum
24 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.297.107/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WahvArt. 25 WahvArt. 26 WahvArt. 26a Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep en verzet tegen dwangbevel wegens vasthouden mobiel tijdens rijden afgewezen

De betrokkene maakte verzet tegen een dwangbevel dat was uitgevaardigd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hij stelde dat hij tijdig beroep had ingesteld tegen de sanctiebeschikking, maar kon dit niet aannemelijk maken. Het hof oordeelde dat de beschikking onherroepelijk was geworden omdat geen tijdig beroep was ingesteld.

Het hof stelde vast dat het griffierecht voor het hoger beroep was voldaan en dat het hoger beroep ontvankelijk was, mede omdat niet kon worden aangetoond dat de beschikking van de kantonrechter daadwerkelijk was toegezonden. De kantonrechter had het verzet niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van overlegging van het dwangbevel, maar het hof vond dat de betrokkene niet op juiste wijze was verzocht dit te overleggen.

De inhoudelijke beoordeling van het verzet leidde tot de conclusie dat het dwangbevel terecht was uitgevaardigd, omdat de sanctie niet was betaald en de verhogingen terecht waren toegepast. De aanmaningen waren naar het juiste adres verzonden. Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter, verklaarde het verzet ongegrond en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt ongegrond verklaard en het dwangbevel is terecht uitgevaardigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.297.107/01
CJIB-nummer
: 231076620
Uitspraak d.d.
: 24 oktober 2022
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 4 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De tussenbeschikking

De inhoud van de tussenbeschikking van 14 januari 2022 wordt hier overgenomen.

Het verloop van de procedure

Van de griffier van de rechtbank zijn diverse e-mails ontvangen.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

1. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. In de tussenbeschikking van 14 januari 2022 heeft het hof vastgesteld dat niet is gebleken dat de betrokkene behoorlijk is gewezen op zijn verplichting om in hoger beroep griffierecht te betalen.
3. Uit de gegevens in het dossier volgt dat het verschuldigde griffierecht van € 338,- is voldaan.
4. Tegen de beschikking van de kantonrechter kan binnen twee weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld. Uit het dossier blijkt dat de beschikking van de kantonrechter op 4 december 2020 is verzonden. De hoger beroepstermijn eindigde dus op 18 december 2020. Het hoger beroepschrift is ontvangen op 26 mei 2021.
5. Uit het beroepschrift kan echter worden afgeleid dat de betrokkene de beslissing van de kantonrechter niet heeft ontvangen. Nu geen sprake is van een deugdelijke verzendadministratie, waaruit blijkt dat beschikking van de kantonrechter daadwerkelijk op 4 december 2020 aan de betrokkene is toegezonden, moet het ervoor worden gehouden dat het hoger beroepschrift tijdig is ingediend. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het verzet

6. De kantonrechter heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene het betreffende dwangbevel en/of afschrift van het deurwaardersexploot niet heeft overgelegd, terwijl hier bij brief (van 1 september 2020) om is verzocht.
7. De betrokkene voert aan - zo begrijpt het hof althans - dat hij geen brief van de (griffier van de) rechtbank heeft ontvangen waarin hij gewezen werd op de verplichting tot overlegging van het deurwaardersexploot en/of het dwangbevel. Daarnaast zijn de stukken direct bij het verzetschrift meegezonden en reeds in het bezit van de rechtbank.
8. Op basis van de stukken in het dossier is het hof niet in staat om vast te stellen of de brief van 1 september 2020 daadwerkelijk aan de betrokkene is verzonden. Een deugdelijk verzendadministratie ontbreekt. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene niet (op juiste wijze) is verzocht het betreffende dwangbevel en/of afschrift van het door de deurwaarder uitgebrachte exploot van betekening van dit dwangbevel over te leggen. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het bij het verzetschrift gevoegde stuk (van
21 december 2020) een brief van de deurwaarder is, waarin is verzocht om contact op te nemen met de deurwaarder, en geen exploot van betekening van het dwangbevel is.
9. Gelet op het voorgaande kan de beschikking van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het verzet beoordelen.
Beoordeling van het verzet
10. De betrokkene heeft verzet gedaan tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dat de Minister voor Rechtsbescherming op 5 augustus 2020 heeft uitgevaardigd.
11. In het verzetschrift is aangevoerd dat op 26 februari 2020 beroep is ingesteld tegen de inleidende beschikking en dat de betrokkene de beslissing van de officier van justitie niet heeft ontvangen. Het verbaasde de betrokkene dan ook dat hij geconfronteerd werd met een brief waarin stond dat de sanctie met € 480,- was verhoogd, terwijl er tot op heden niet op het beroep is beslist. Ook heeft hij verder geen bericht van het CJIB ontvangen, zoals onder andere over eventuele verhogingen. Bij het verzetschrift is een afschrift van het beroepschrift gevoegd.
12. De Minister betoogt dat uit navraag is gebleken dat tegen de uitgevaardigde beschikking geen beroep bij de officier van justitie is ingesteld. Omdat de beschikking niet tijdig is voldaan, is de sanctie van rechtswege met 50 procent verhoogd en is op 31 maart 2021 (het hof begrijpt: 2020) een eerste aanmaning verzonden. Aangezien het bedrag van de (verhoogde) sanctie niet tijdig volledig is voldaan, is dit bedrag van rechtswege met 100 procent verhoogd en is op 19 mei 2020 een tweede aanmaning verzonden. Alle poststukken zijn naar het bij de Basisregistratie personen (hierna: Brp) geverifieerde adres verzonden en niet onbestelbaar retour ontvangen. Voor het CJIB bestond derhalve geen aanleiding aan te nemen dat de poststukken de betrokkene niet hebben bereikt. Het dwangbevel is terecht uitgevaardigd en het verzet dient daarom ongegrond te worden verklaard.
13. Een dwangbevel als bedoeld in artikel 26 van Pro de Wahv kan pas rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie (tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen) is opgelegd, onherroepelijk is geworden.
14. Uit de stukken van het dossier blijkt dat aan de betrokkene bij inleidende beschikking van 17 januari 2020 een administratieve sanctie van € 240,- is opgelegd voor de gedraging “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”, welke gedraging is verricht op 8 januari 2020 in Utrecht met het voertuig met kenteken [kenteken] . Onbestreden is dat deze beschikking aan de betrokkene is verzonden en dat de beschikking is ontvangen door de betrokkene.
15. De stukken van het geding houden niets in, waaruit zou kunnen blijken, dat kort na
26 februari 2020 een beroepschrift van de betrokkene is ontvangen. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat hij niet over een schriftelijk bewijs van verzending beschikt. Het ligt dan op zijn weg om op andere wijze aan te tonen dat de verzending (tijdig) heeft plaatsgevonden. De betrokkene heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan aannemelijk is geworden dat hij op of kort na 26 februari 2020 beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld. Het enkel overleggen van een afschrift van de beweerdelijk verzonden brief volstaat daartoe niet. Het moet er daarom voor worden gehouden dat geen beroep tegen de inleidende beschikking is ingesteld. Dat brengt mee dat deze beschikking onherroepelijk is geworden.
16. Aangezien er geen betaling van de sanctie en de administratiekosten heeft plaatsgevonden, is het verschuldigde bedrag op grond van artikel 23 van Pro de Wahv twee weken na het onherroepelijk worden van de inleidende beschikking van rechtswege verhoogd. Aangezien betaling van de sanctie en de opgelegde verhoging vervolgens uitbleef, is het inmiddels verschuldigde bedrag van de sanctie ingevolge artikel 25, eerste lid, Wahv verder verhoogd met honderd procent. De aanmaningen zijn door het CJIB verzonden op de in het zaakoverzicht vermelde data (zie ook hiervoor ov. 12). In zijn arrest van 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346, heeft het hof vastgesteld dat, gelet op de inrichting van het aanmaak- en verzendproces, de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten. Bij deze stand van zaken mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat de aanmaningen daadwerkelijk en naar het juiste adres zijn verstuurd. Daarbij zij nog opgemerkt dat het hof uit het verzetschrift afleidt dat de betrokkene de tweede aanmaning wel heeft ontvangen. Na het verstrijken van de vervaldatum voor betaling van het bedrag van de tweede aanmaning, heeft het CJIB, zo volgt uit de gegevens in het dossier, de adresgegevens geverifieerd bij het Brp en correct bevonden, waarop is overgegaan tot toepassing van verhaal zonder dwangbevel. Deze wijze van verhaal is niet gelukt waarop vervolgens is overgegaan tot toepassing van verhaal met dwangbevel. De betrokkene heeft, ondanks de aan hem verzonden aanmaningen, het bedrag van de aan hem opgelegde sanctie en de administratiekosten alsmede de toegepaste verhogingen niet voldaan. Gelet hierop is het dwangbevel terecht uitgevaardigd en daarom zal het hof het verzet ongegrond verklaren.
17. Nu de beschikking van de kantonrechter zal worden vernietigd, bestaat er aanleiding het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter;
verklaart het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel ongegrond;
bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de rechtbank aan de betrokkene wordt gerestitueerd.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.