ECLI:NL:GHARL:2022:9083

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
25 oktober 2022
Zaaknummer
200.299.638
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:163 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid man in hoger beroep betaling bruidsschat wegens verlopen inschrijvingstermijn echtscheidingsbeschikking

Partijen zijn in 2008 in Marokko gehuwd. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit, de vrouw heeft zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit. De man diende in december 2020 een verzoek tot echtscheiding in. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en veroordeelde de man tot betaling van een bruidsschat van €5.000 aan de vrouw.

De man kwam in hoger beroep tegen de veroordeling tot betaling van de bruidsschat, niet tegen de echtscheiding zelf. De vrouw verzocht het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren. De echtscheidingsbeschikking was niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking.

Volgens artikel 1:163 lid 3 BW Pro verliest de echtscheidingsbeschikking haar kracht indien het verzoek tot inschrijving niet binnen zes maanden na kracht van gewijsde wordt gedaan. De termijn verstreek op 11 maart 2022 zonder inschrijving. Hierdoor is de echtscheidingsbeschikking niet meer van kracht, en ontbreekt de rechtsgrond voor het hoger beroep over de nevenvoorziening. Het hof verklaarde daarom de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het niet tijdig inschrijven van de echtscheidingsbeschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.299.638
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 514360)
beschikking van 25 oktober 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. el Ahmadi te Utrecht,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. H.K. Jap A Joe te Utrecht.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 juni 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 september 2021;
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2022 plaatsgevonden. Aanwezig was de man, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld van [naam1] , tolk in de Marokkaanse taal. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens haar was haar advocaat aanwezig.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2008 te [plaats1] (Marokko) gehuwd. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.2
De man heeft op 15 december 2020 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man veroordeeld om aan de vrouw als bruidsschat € 5.000,- te voldoen (te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van die beschikking).

4.De omvang van het geschil

4.1
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief ziet op de veroordeling tot betaling van een bruidsschat. De man verzoekt het hof bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de vrouw inzake de bruidsschat af te wijzen.
4.2
De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hoger beroep van de man is niet gericht tegen de echtscheiding zelf. In geschil is enkel de betaling van een bruidsschat dan wel bruidsgave. Ook de vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het uitspreken van de echtscheiding. Desgevraagd hebben de advocaten van partijen verklaard dat de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
5.2
In artikel 1:163 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht verliest indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee wordt de rechtszekerheid gediend.
5.3
De echtscheidingsbeschikking van 10 juni 2021 is in kracht van gewijsde gegaan op 11 september 2021, de dag waarop de beroepstermijn was verstreken. De zesmaandentermijn van artikel 1:163 lid 3 BW Pro is met inachtneming van het voorgaande op 11 maart 2022 verstreken. Vóór die datum is geen verzoek tot inschrijving van de echtscheiding gedaan, zodat de echtscheidingsbeschikking op dat moment haar kracht heeft verloren. Omdat de echtscheiding geen onderdeel is van het geschil in hoger beroep, biedt de wet noch de jurisprudentie een aanknopingspunt om van een andere datum uit te gaan voor wat betreft de aanvang van die inschrijvingstermijn van zes maanden.
5.4
Gelet op het voorgaande is geen sprake (meer) van echtscheiding of een procedure daartoe, zodat de rechtsgrond voor en belang bij behandeling van de nevenvoorziening zoals in hoger beroep verzocht, ontbreken. Daarom zal het hof de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en R. Krijger, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, is getekend door mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en is op 25 oktober 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.