Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2022:9210

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 oktober 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
200.290.945
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 RvArt. 39 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens vermeende belangenverstrengeling en misbruik van recht

In een procedure tussen Stichting [verzoekster1] en een andere stichting heeft Stichting [verzoekster1] een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, stellende dat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling en vooringenomenheid. De wrakingsgronden betroffen onder meer het lidmaatschap van een medisch tuchtcollege, eerdere uitspraken in nadelige zin voor verzoeksters, en het feit dat de raadsheren op een door verzoeksters opgestelde zwarte lijst stonden.

De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld en geoordeeld dat de vermoedelijke onpartijdigheid van de rechters slechts bij uitzondering kan worden doorbroken. De aangevoerde gronden boden geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Ook het lidmaatschap van een tuchtcollege en eerdere nadelige uitspraken waren onvoldoende om wraking te rechtvaardigen.

Daarnaast werd een wrakingsverzoek tegen een lid van de wrakingskamer zelf niet in behandeling genomen vanwege evident misbruik van recht. De wrakingskamer bepaalde dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet meer in behandeling worden genomen, omdat het middel tot wraking oneigenlijk wordt ingezet.

De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en sprak dit uit in aanwezigheid van de griffier op 27 oktober 2022.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer W200.290.945/02
beslissing van de wrakingskamer van 27 oktober 2022
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
1. de stichting
Stichting [verzoekster1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna ook: Stichting [verzoekster1]
2.
[verzoekster2],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeksters
advocaat: mr. D. Fasseur.

1.De procedure

1.1
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.290.945/01 een procedure aanhangig tussen verzoeksters en de stichting [naam1] . Deze stichting wordt in die procedure bijgestaan door mr. O.M.B.J. Volgenant.
1.2
Op 10 februari 2022 heeft in die procedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op die mondelinge behandeling heeft mr. Fasseur namens verzoeksters de leden van de behandelende combinatie, te weten mrs. S.M. Evers, H.C. Frankena en H. Wammes gewraakt. Van die mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt met daaraan gehecht de spreekaantekeningen van mr. Fasseur, in welke spreekaantekeningen de wrakingsgronden zijn opgenomen. De mondelinge handeling is geschorst en de zaak is verwezen naar de wrakingskamer.
1.3
Op 21 juni 2022 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Daar bleek dat verzoeksters niet beschikten over de reactie van de gewraakte raadsheren dat zij niet in de wraking berusten en dat zij niet zouden verschijnen op de mondelinge behandeling van de wrakingskamer. De mondelinge behandeling is daarop aangehouden en die stukken zijn alsnog aan verzoeksters gezonden.
1.4
In een emailbericht van 7 juli 2022 van mr. Fasseur staat vermeld dat de behandelend raadsheren van de wrakingskamer op de zitting van 21 juni 2022 worden gewraakt met als reden dat zij in het roljournaal vermeld hebben of doen vermelden dat er geen reactie/verweerschrift van de gewraakte raadsheren is ingediend. Dat verzoek is door de wrakingskamer niet in behandeling genomen en dit is bij brief van 22 juli 2022 aan mr. Fasseur medegedeeld.
1.5
Op 13 oktober 2022 is de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek voortgezet. Op die mondelinge behandeling waren via een Teamsverbinding aanwezig mevrouw [verzoekster2] (zonder beeld, enkel via geluidsverbinding), mr. Fasseur en mr. Volgenant.
1.6
Op die mondelinge behandeling heeft zowel mr. Fasseur als mevrouw [verzoekster2] het wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van toegezonden spreekaantekeningen.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een zitting kan het ook mondeling geschieden. Het wrakingsverzoek wordt gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 36 en Pro 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
2.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit beginsel lijdt alleen dan uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.3
Uit de aan het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2022 gehechte spreekaantekeningen van mr. Fasseur begrijpt de wrakingskamer dat de reden voor wraking van mr. Evers is dat zij plaatsvervangend voorzitter is van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Bovendien staat zij op een zwarte lijst van rechters, opgesteld door Stichting [verzoekster1] . De reden voor wraking van mr. Frankena is dat zij in een andere zaak waarin verzoeksters partij waren en die mede door mr. Frankena is behandeld door verzoekster is gewraakt. Ook mr. Frankena staat op de door Stichting [verzoekster1] opgestelde zwarte lijst. Tot slot is de reden voor wraking van mr. Wammes dat hij de buurman is van de (voormalige) voorzitter van de KNMG en dat hij in 2012 een arrest heeft gewezen in een andere zaak waarbij verzoeksters partij waren en dit arrest in het nadeel was van verzoeksters. Ook mr. Wammes staat op de door Stichting [verzoekster1] opgestelde zwarte lijst.
2.4.
In haar spreekaantekeningen heeft verzoekster [verzoekster2] kennelijk ook het lid van de wrakingskamer mr. N.C. van Lookeren Campagne willen wraken, althans zij heeft hem opgeroepen zich te verschonen en zich terug te trekken uit de wrakingskamer. De reden daarvoor is dat hij lid is of is geweest van klachtencommissies van een aantal ziekenhuizen. Daardoor zou mr. Van Lookeren Campagne de schijn van partijdigheid oproepen.
2.5
De wrakingskamer gaat aan dit verzoek voorbij. Voor zover dit verzoek al moet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek – de wrakingskamer zal dit wel zo opvatten – zijn verzoeksters bezig met een doorlopende stapeling van wrakingsverzoeken. Immers, ook in de email van 7 juli 2022 verzochten verzoeksters al om wraking van de leden van de wrakingskamer. De wrakingskamer wijst in dit kader op het wrakingsprotocol zoals vastgesteld in de bestuursvergadering van 9 juni 2021, waarin staat (onder 4.3) dat de wrakingskamer een tegen haar of één van haar leden gericht verzoek tot wraking buiten behandeling kan laten als zij van oordeel is dat sprake is van evident misbruik van recht. Het wrakingsverzoek gericht tegen van mr. Van Lookeren Campagne voldoet hieraan en zal om die reden buiten behandeling worden gelaten.
2.6
De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoeksters aangedragen gronden geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de raadsheren jegens verzoeksters een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeksters dienaangaande kennelijk bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het enkele feit dat een rechter lid is of is geweest van een medisch tuchtcollege is, mede gelet ook op het hiervoor onder 2.2 vermelde uitgangspunt, zonder verdere concrete feiten en omstandigheden – die ontbreken – daarvoor onvoldoende. Ook het feit dat een rechter in een andere zaak een oordeel heeft gegeven in het nadeel van verzoeksters is, ook weer gelet op voormeld uitgangspunt en gelet op Europese wrakingsjurisprudentie, geen grond voor wraking. De bedoelde zwarte lijst is een door Stichting [verzoekster1] opgestelde lijst met namen van rechters die volgens Stichting [verzoekster1] falende artsen de hand boven het hoofd houden. De enkele omstandigheid dat een rechter voorkomt op de door verzoeksters zelf opgestelde ‘zwarte lijst’ van rechters is onvoldoende om aan te nemen dat die rechter niet meer onpartijdig kan oordelen in een zaak van verzoeksters. Zou dat anders zijn, dan zou Stichting [verzoekster1] door het opstellen van een dergelijke lijst invloed kunnen uitoefenen op de vraag welke rechters een zaak waarbij verzoeksters zijn betrokken zullen behandelen. Dat kan uiteraard niet de bedoeling zijn en is in strijd met de wet.
2.7
De wrakingskamer zal, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, het verzoek tot wraking van mrs. Evers, Frankena en Wammes afwijzen en het wrakingsverzoek van het lid van de wrakingskamer mr. Van Lookeren Campagne niet in behandeling nemen.
2.8
Verder zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in zaaknummer 200.290.945 niet in behandeling zal worden genomen (artikel 39 lid 4 Rv Pro), omdat het middel tot wraking door verzoeksters oneigenlijk wordt ingezet waardoor sprake is van misbruik van recht.

3.De beslissing

De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking:
wijst het verzoek tot wraking van mrs. S.M. Evers, H.C. Frankena en H. Wammes af,
bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking met betrekking tot de zaak met nummer 200.290.945 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. C.J.H.G. Bronzwaer, R. den Ouden en N.C. van Lookeren Campagne, en is in tegenwoordigheid van de griffier door mr. R. den Ouden in
het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2022.