ECLI:NL:GHARL:2022:9219

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
Wahv 200.295.472/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens overtreden geslotenverklaring zonder deugdelijke bebording

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het overtreden van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op 17 juni 2019. De sanctie was gebaseerd op digitale handhaving met een foto waarop het voertuig zichtbaar was, maar niet de bebording die de geslotenverklaring aanduidde.

De betrokkene stelde dat de bebording niet deugdelijk was geplaatst en dat er geen schouwrapporten waren die de juiste plaatsing bevestigden. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar het hof oordeelde dat het beroep tijdig was ingesteld nadat de motivering van de beslissing correct was toegezonden.

Het hof stelde vast dat de ambtenaar geen concrete informatie kon geven over de schouwmomenten en dat de foto onvoldoende bewijs leverde van de zichtbaarheid van het bord. Hierdoor kon de overtreding niet op de voorgeschreven wijze worden vastgesteld en mocht de sanctie niet worden gehandhaafd.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking van de officier van justitie, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigde de sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs van correcte bebording en verklaarde het beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.295.472/01
CJIB-nummer
: 226848284
Uitspraak d.d.
: 28 oktober 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 april 2021, betreffende

[de betrokkene] B.V.(hierna:debetrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

ten aanzien van de bestreden beslissing

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. Daartoe is overwogen dat de beroepstermijn niet aanvangt nadat kennis is kunnen nemen van de motivering van de beslissing van de officier van justitie.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat die beslissing berust op een onjuiste rechtsopvatting. In de door het CJIB verzonden beslissing van de officier van justitie is geen motivering opgenomen. De separaat verzonden motivering van de beslissing van de officier van justitie d.d. 16 maart 2020 is niet ontvangen en is bij brief van 20 april 2020 nagezonden. De beroepstermijn eindigde aldus op 1 juni 2020 zodat met het op 19 mei 2020 ontvangen beroepschrift tijdig beroep is ingesteld.
3. Artikel 7:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt ten aanzien van de bekendmaking van een beslissing op administratief beroep het volgende in:
“1. De beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (…)
3. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht (…).”
4. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Als namens de betrokkene door een gemachtigde beroep is ingesteld, moet de post in ieder geval aan de gemachtigde worden toegestuurd (artikel 6:17 van Pro de Awb).
5. Het zaakoverzicht houdt in dat de officier van justitie op 24 maart 2020 heeft beslist op het beroep tegen de inleidende beschikking. De gemachtigde heeft (eerst) in hoger beroep een kopie overgelegd van de door het CJIB aan hem verzonden brief. Deze brief houdt het volgende in:
“De officier van justitie heeft op het beroep, ingesteld tegen bovengenoemde beschikking, beslist. Voor de inhoud en motivering van de beslissing wordt verwezen naar de door de officier van justitie afzonderlijk verzonden motivering.”
6. In de brief van 24 maart 2020 is geen beslissing opgenomen, zodat dit stuk niet kan worden aangemerkt als beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. De gemachtigde ontkent de ontvangst van de separaat verzonden motivering van de beslissing van de officier van justitie van 16 maart 2020 en de verzending van die brief kan niet worden geverifieerd (vgl. het arrest van het hof van 8 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4145).
7. Eerst met de op 20 april 2020 aan de gemachtigde toegezonden separate motivering van de beslissing is de beslissing van de officier van justitie op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De beroepstermijn eindigde met toepassing van de Algemene termijnenwet op 2 juni 2020. Het beroepschrift is gedateerd 14 mei 2020 en is op 19 mei 2020 door de officier van justitie ontvangen. Het beroep is tijdig ingesteld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, zoals de gemachtigde in hoger beroep in de brief van 25 juli 2021 verzoekt, de bij de kantonrechter ingediende gronden tegen de inleidende beschikking beoordelen.
ten aanzien van de inleidende beschikking
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 juni 2019 om 16:36 uur op de Griftdijk in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Uit het dossier blijkt dat sprake is geweest van digitale handhaving van de geslotenverklaring.
9. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De betrokkene heeft geen behoorlijke bebording gezien en op grond van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de bebording ten tijde van de gedraging deugdelijk was geplaatst. Op de foto van de gedraging is geen bebording zichtbaar en in het brondocument staat weliswaar dat sprake zou zijn van een maandelijkse schouw, maar er zijn geen schouwrapporten aan het dossier toegevoegd. De gemachtigde van de betrokkene wijst daarbij op een drietal op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken van het hof uit 2018. De sanctie kan niet in stand blijven en dient te worden vernietigd.
10. De sanctie is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam in het domein Openbare ruimte en de gegevens waarop deze ambtenaar zich daarbij heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat voor zover hier van belang de volgende gegevens:
“De camera heeft vastgelegd dat het voornoemde voertuig reed in de richting Oosterhout of in de richting Nijmegen op de Griftdijk Noord. De camera heeft vastgelegd dat het betrokken voertuig het voor hem bedoelde bord C12 negeerde en de geslotenverklaring in reed. (…) De foto is genomen na het passeren van het bord. De juiste plaatsing van de verkeersborden wordt maandelijks geschouwd. De wegbeheerder heeft geen melding van enige wijziging of bijzonderheden gedaan inzake de bebording waardoor deze deugdelijk aanwezig was op het moment van overtreding.”
11. Het hof stelt vast dat op de foto van de gedraging wel het voertuig met het kenteken
[kenteken] is te zien, maar niet het bord C12 dat zou zijn genegeerd. Het niet zichtbaar zijn van het
C-bord op de foto kan slechts worden ondervangen op een wijze als beschreven in het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (versie augustus 2018) (hierna: het beleidskader), te weten door middel van een omgevingsschouw die (minimaal) maandelijks plaatsvindt en waarvan de resultaten worden vastgelegd in een proces-verbaal (vgl. het arrest van het hof van 1 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7566, ov. 12).
12. De verklaring van de ambtenaar, afgelegd kort na constatering van de gedraging, houdt in dat de juiste plaatsing van de verkeersborden maandelijks wordt geschouwd, maar niet op welke data vóór en na de gedraging is geschouwd en wat het resultaat daarvan was. In het dossier bevinden zich geen schouwrapporten. Het voorgaande brengt mee dat de gedraging niet op de in het beleidskader voorgeschreven wijze kan worden vastgesteld en de ambtenaar geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om een sanctie op te leggen. Dit leidt tot onderstaande beslissing.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en de beroepschriften bij de kantonrechter en het hof dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.029,50.

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.029,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.