Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het hoger beroep met zaaknummer 200.290.323/01,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stond de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarigen centraal. Na eerdere tussenbeschikking van 2 juni 2022 kwamen partijen overeen dat het hoofdverblijf van de jongste minderjarige bij de moeder in België zou zijn. Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank voor zover deze over het hoofdverblijf van de jongste minderjarige ging en stelde het hoofdverblijf definitief bij de moeder vast.
De vader wenste geen zorg- of bezoekregeling met de jongste minderjarige, die inmiddels 17 jaar oud is. Het hof wees daarom het verzoek van de moeder tot vaststelling van een zorgregeling af en zag geen aanleiding voor een nadere mondelinge behandeling. Daarnaast had de moeder in een laat stadium aanvullende verzoeken ingediend, waaronder kinderalimentatie en eenhoofdig gezag. Het hof oordeelde dat deze verzoeken te laat waren ingediend en in strijd met de goede procesorde, waardoor zij niet-ontvankelijk werden verklaard.
De beslissing omvatte tevens de afwijzing van overige verzoeken en de verklaring dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. De bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming waren betrokken bij het proces en hadden geadviseerd over de belangen van de minderjarigen. Het hof handhaafde daarmee de rechtszekerheid en zorgde voor een definitieve regeling omtrent het hoofdverblijf en de zorgverdeling.
Uitkomst: Het hof stelde het hoofdverblijf van de jongste minderjarige bij de moeder vast, wees het verzoek tot zorgregeling af en verklaarde nieuwe verzoeken van de moeder niet-ontvankelijk.