De moeder en vader van een in 2019 geboren minderjarige zijn in geschil over de ondertoezichtstelling van het kind. De rechtbank stelde de minderjarige onder toezicht van Jeugdbescherming Overijssel van 30 september 2021 tot 30 maart 2022. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking.
Het hof overweegt dat de minderjarige zonder ondertoezichtstelling ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder toont emotionele weerstand tegen de vader, met wie de verstandhouding volledig verstoord is door ex-partnerproblematiek, beschuldigingen en angst. De vader is erkend en heeft een traject gevolgd om zijn emoties te reguleren. De raad concludeert dat de moeder onvoldoende bereid is om contact tussen vader en kind te faciliteren.
Het belang van het kind bij een goede band met beide ouders wordt erkend. De raad is een deskundige instantie en het onderzoek is zorgvuldig. De hulpverlening is ingezet maar gestopt wegens gebrek aan ruimte bij de moeder voor een rol van de vader. Het hof acht professionele ondersteuning noodzakelijk om het belang van het kind te waarborgen en de ex-partnerproblematiek te adresseren.
De ondertoezichtstelling is geen ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven en niet in strijd met internationale verdragen. Het hof verwacht van de moeder inspanningen om traumatische ervaringen te verwerken en van de vader rekening te houden met de angst van de moeder. De beschikking wordt bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd.