ECLI:NL:GHARL:2022:9319

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 november 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
Wahv 200.303.108/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet stellen van zekerheid bij snelheidsovertreding

De betrokkene stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van zekerheid bij een snelheidsovertreding. De betrokkene beschikte niet over een bankrekening en kon daardoor geen zekerheid via de voorgeschreven girale betaalwijze stellen.

De betrokkene voerde aan dat het openbaar ministerie tekortschiet door geen alternatieve betaalwijze, zoals contante betaling, te accepteren, waardoor haar verdedigingsrechten werden geschaad. Het hof overwoog dat de wettelijke regeling (artikel 11 lid 3 Wahv Pro) voorschrijft dat zekerheid moet worden gesteld via betaling op de rekening van de minister, en contante betaling niet is toegestaan.

Het hof concludeerde dat de betrokkene voldoende gelegenheid had gekregen om zekerheid te stellen volgens de voorgeschreven wijze en dat het ontbreken van een bankrekening een omstandigheid is die voor haar rekening komt. Omdat geen zekerheid was gesteld en dit niet onvoorzienbaar was, bevestigde het hof de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Hierdoor kon het hof de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde sanctie niet beoordelen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.303.108/01
CJIB-nummer
: 227698436
Uitspraak d.d.
: 2 november 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2020 (het hof leest: 4 oktober 2021), betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 oktober 2022. De vertegenwoordiger van de betrokkene,
[naam1] , is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .

De beoordeling

1. De vertegenwoordiger van de betrokkene voert aan dat het verzoek om aanhouding van de zitting van de kantonrechter is genegeerd. Dit verzoek was neergelegd in de brief van 29 september (het hof begrijpt: 29 september 2021).
2. Uit het dossier blijkt als volgt. De betrokkene is in de brief van 16 september 2020 opgeroepen voor de zitting van 29 oktober 2020. Hierop is bij brief van 9 oktober 2020 om aanhouding verzocht. Het aanhoudingsverzoek is bij brief van 14 oktober 2020 voor onbepaalde tijd gehonoreerd. Bij brief van 9 september 2021 is de betrokkene opgeroepen voor de zitting op 4 oktober 2021. Het dossier bevat geen brief waarin opnieuw om aanhouding is verzocht.
3. Nu de brief van 29 september 2021 waaraan de vertegenwoordiger refereert zich niet bij de stukken bevindt en ontvangst daarvan niet op andere wijze aannemelijk is gemaakt, gaat het hof voorbij aan de stelling dat om aanhouding was verzocht voor de zitting van 4 oktober 2021.
4. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.
5. De vertegenwoordiger van de betrokkene voert aan dat de organisatie niet beschikt over een bankrekening. Het stellen van zekerheid kan daarom slechts met contante middelen. Nu op die manier geen zekerheid kan worden gesteld, is het openbaar ministerie feitelijk tekortgeschoten bij de inning van het bedrag van de zekerheidstelling. Daarbij wordt de betrokkene geschaad in haar verdedigingsrechten.
6. Artikel 11, derde lid, van de Wahv bepaalt – onder meer – dat zekerheid door de indiener wordt gesteld bij Onze Minister, hetzij op de door Onze Minister voorgeschreven wijze, hetzij anderszins door overboeking op de rekening van Onze Minister.
7. Bij brieven, in zowel de Nederlandse als de Engelse taal, van respectievelijk 23 januari 2020 en 9 februari 2020 is verzocht om zekerheidstelling door betaling via het Digitaal Loket van het CJIB dan wel door het overmaken van geld op de rekening van het CJIB. Betaling middels contante middelen behoort niet tot de door de Minister voorgeschreven betaalwijzen.
8. Het staat de betrokkene vrij niet deel te nemen aan het girale betalingsverkeer. Dat de betrokkene daardoor beperkt is in haar betalingsmogelijkheden, is echter een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar rekening komen. Het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de Wahv en de stukken in het dossier in ogenschouw genomen, is de betrokkene afdoende gelegenheid geboden om zekerheid te stellen. Dat de betrokkene geen reactie op haar brief van 10 februari 2020 heeft ontvangen, doet hieraan niet af.
9. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en niet is gebleken dat dit de betrokkene niet kan worden toegerekend, heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Dit heeft tot gevolg dat het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de aan de betrokkene (als kentekenhouder) opgelegde sanctie van € 49,- voor een snelheidsovertreding niet kan beoordelen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.