In deze civiele zaak staat centraal of tussen appellant en Jorritsma Beheer B.V. een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en of appellant zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de lening van €70.000,- verstrekt aan [naam5] BV. De rechtbank had appellant hoofdelijk veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag met rente en kosten. Appellant stelde in hoger beroep dat er geen overeenkomst was, dat sprake was van een nietige borgtocht en dat verrekening en matiging zouden moeten plaatsvinden.
Het hof bevestigt dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig is gesloten, ook al heeft [naam5] BV de schuldbekentenis niet ondertekend. De bestuurders, waaronder appellant, hebben privé meegetekend en wisten van de overeenkomst. De borgtocht is zakelijk van aard en niet nietig, omdat appellant als mede-bestuurder handelde en zich als borg heeft verbonden. Verrekening met vorderingen op Jorritsma wordt afgewezen omdat deze niet door [naam5] BV is ingeroepen en onvoldoende onderbouwd is.
Ook de stellingen over een vermindering van de vordering wegens vermeende compensaties en werkzaamheden worden verworpen wegens gebrek aan bewijs. Een beroep op matiging op grond van redelijkheid en billijkheid faalt eveneens. Het bewijsaanbod van appellant wordt niet gehonoreerd wegens irrelevantie of onvoldoende onderbouwing.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van Jorritsma, inclusief nakosten. Het arrest is gewezen door drie rechters en uitgesproken op 1 november 2022.