In deze civiele zaak heeft de man zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding ingetrokken kort voor de geplande mondelinge behandeling. De vrouw verzocht daarop om een proceskostenveroordeling tegen de man wegens onnodige kosten die zij heeft moeten maken.
Het hof overweegt dat een zaak alleen kan worden doorgehaald als beide partijen daarmee instemmen, wat hier niet het geval was. Daarom verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en behandelt het verzoek om proceskostenveroordeling inhoudelijk.
De vrouw stelt dat het hoger beroep onnodig en zonder spoedeisend belang was, omdat de man ook in hoger beroep was gekomen van de bodemzaak op identieke gronden. De man betwist dit en wijst erop dat hij vanwege het kort geding hoger beroep moest instellen. Het hof oordeelt dat de man de vrouw niet evident nodeloos in rechte heeft betrokken en dat de intrekking kort voor de zitting geen aanleiding geeft tot een proceskostenveroordeling.
Het uitgangspunt in procedures tussen partijen met een affectieve relatie is dat ieder zijn eigen kosten draagt, tenzij sprake is van evident onnodig procederen. Het hof past dit uitgangspunt toe en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.