ECLI:NL:GHARL:2022:9706

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 november 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
Wahv 200.303.238/01 en Wahv 200.318.196/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RVV 1990Art. 2a RVV 1990Art. 10 lid 1 RVV 1990Artikel 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sancties voor parkeren brommobiel op trottoir

De betrokkene kreeg twee sancties van €95 opgelegd voor het stilstaan met een brommobiel op het trottoir in Amsterdam op 3 en 25 november 2020. Hij voerde aan dat eerdere identieke sancties waren vernietigd, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat parkeren op het trottoir was toegestaan. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt anders.

Het hof stelt vast dat het voertuig inderdaad een brommobiel is, waarop de regels voor motorvoertuigen van toepassing zijn en parkeren op het trottoir verboden is. Hoewel eerdere sancties werden vernietigd, kan de betrokkene hieraan geen rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen. Gezien de ontstane verwarring over de rechtstoestand matigt het hof de sancties tot nihil.

Daarnaast wordt de betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend van €351,80. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijzigt de sancties, waarbij het door de betrokkene gestelde bedrag wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Sancties voor parkeren brommobiel op trottoir gematigd tot nihil en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummers
: Wahv 200.303.238/01 en Wahv 200.318.196/01
CJIB-nummer
: 238090426 en 238121829
Uitspraak d.d.
: 14 november 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissingen van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het hoger beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren..
De zaken zijn behandeld op de zitting van 31 oktober 2022. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene zijn als kentekenhouder bij inleidende beschikkingen sancties opgelegd van telkens € 95,- voor: “stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. De gedragingen zouden zijn verricht op 3 november 2020 en op 25 november 2020 op de locatie Sarphatipark in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat het hem bevreemdt dat er door verschillende rechters tegengestelde uitspraken worden gedaan over identieke zaken, waarbij sancties zijn opgelegd voor dezelfde gedraging (feitcode R 315b) met hetzelfde voertuig. De betrokkene wijst er verder op dat in het verleden een aantal keren een sanctie door de officier van justitie is vernietigd vanwege een eerdere beslissing van de kantonrechter in een andere, identieke zaak. De betrokkene heeft de door hem bedoelde beslissingen overgelegd.
Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt ook niet waarom de kantonrechter deze eerdere beslissingen negeert. Nadat de kantonrechter uitspraak had gedaan merkte hij op dat de rechter in die eerdere zaak zich wellicht heeft vergist en een onjuiste beslissing heeft genomen. De betrokkene vindt dit nogal vreemde uitspraken en vindt het bijzonder dat dit na de uitspraak wordt gezegd. De betrokkene voert verder aan dat sprake is van een bromfiets en niet van een brommobiel zoals de advocaat-generaal stelt. De kantonrechter die hem eerder in het gelijk heeft gesteld heeft aangegeven dat zijn voertuig een bromfiets is en dat het voertuig daarom op het trottoir mag worden geparkeerd.
3. De betrokkene ontkent niet dat zijn voertuig op beide dagen geparkeerd stond op het trottoir. Het voertuig van de betrokkene is weliswaar een bromfiets, maar dit betekent niet dat -voor de toepassing van de verkeersregelgeving- niet ook sprake kan zijn van een brommobiel. Een brommobiel is een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie (zie artikel 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)). Daarvan is hier sprake. Op brommobielen zijn de regels betreffende motorvoertuigen van toepassing, tenzij anders is bepaald (zie artikel 2a van het RVV 1990). Dat brengt mee dat het voertuig van de betrokkene, net als motorvoertuigen, niet mag stilstaan op het trottoir (zie artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990). Vastgesteld kan worden dat de gedragingen zijn verricht.
4. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof verder te beoordelen of er redenen zijn de sancties achterwege te laten of het bedrag van de sancties te matigen.
5. Op grond van het verhandelde ter zitting van het hof kan worden vastgesteld dat weliswaar eerder aan de betrokkene sancties zijn opgelegd voor gedragingen als deze met dit voertuig, maar die sancties zijn alle steeds ongedaan gemaakt, hetzij door de officier van justitie, hetzij door de kantonrechter. De hier aan de orde zijnde sancties zijn de eerste waarbij dat niet is gebeurd.
De omstandigheid dat alle eerdere sancties ongedaan zijn gemaakt brengt op zichzelf niet mee dat deze sancties ook achterwege moeten worden gelaten. Weliswaar verkeerde de betrokkene op basis van de eerdere beslissingen in de veronderstelling dat (ook) voor de aan de orde zijnde gedragingen geen sanctie kon worden opgelegd, maar deze veronderstelling is niet juist. Dit betekent dat aan die eerdere -onjuist gebleken- beslissingen niet het rechtens te honoreren vertrouwen kan worden ontleend dat de betrokkene van sancties voor de aan de orde zijnde gedragingen gevrijwaard dient te blijven.
6. Wel ziet het hof in de door de betrokkene geschetste omstandigheden aanleiding om het bedrag van de sancties te matigen. Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat het bedrag van beide sancties moet worden gehalveerd. Het hof is van oordeel dat deze tegemoetkoming onvoldoende recht doet aan de omstandigheden. De betrokkene heeft op basis van de eerdere beslissingen zijn gedrag bepaald. Naar het oordeel van het hof moet het bedrag van beide sancties worden gematigd tot nihil.
7. Het hof zal daarom als volgt beslissen.
8. De betrokkene is in het gelijk gesteld. Dit brengt mee dat aanleiding bestaat om de betrokkene een proceskostenvergoeding toe te kennen. Gelet op het hier toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten en verletkosten van de betrokkene voor het bijwonen van de zitting van het hof. De reiskosten bedragen € 55,80 (Amsterdam - Leeuwarden, openbaar vervoer, tweede klasse). De verletkosten bedragen € 296,- (4 uren x € 74,-, naar opgave van de betrokkene).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissingen van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissingen van de officier van justitie en de inleidende beschikkingen met CJIB-nummers 238090426 en 238121829 in die zin dat het bedrag van de sancties telkens wordt bepaald op nihil;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 351,80
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.