De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voorruit/zijruiten/windscherm/achterruit geen recht.buit.spiegel voorzien van uitzicht belemmerende onnodige voorwerpen (feitcode N420b)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 januari 2020 om 04.18 uur op de A13 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betwist de gedraging. Het plaatsen van een telefoonhouder op de voorruit links van de binnenspiegel leidt niet tot belemmering van zicht op de weg. De ambtenaar verklaart ook niet op welke wijze is vastgesteld dat het zicht op de weg werd belemmerd. Verder ziet de gebruikte feitcode alleen op de bouw en inrichting van het voertuig en niet de geplaatste houder op de voorruit. De houder behoort immers niet toe aan het voertuig, maar is een geplaatst voorwerp in het voertuig. Dat de houder met een zuignap aan de ruit is bevestigd, maakt dit niet anders. Dit betreft niet de permanente inrichting van het voertuig. De juiste feitcode is dan ook P041A. Omdat op die feitcode een hoger sanctiebedrag staat, kan de feitcode niet worden gewijzigd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Houder met mobiele telefoon was naast de binnenspiegel gemonteerd. Hierdoor werd de bestuurder zicht op de weg ontnomen.”
4. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Ik, verbalisant, zag dat direct voor het gezicht van de bestuurder een telefoon was geplaatst zodanig dat het zicht van de bestuurder op de weg grotendeels werd weggenomen. Verder zag ik, verbalisant, dat het scherm van de telefoon was opgelicht en ik had het vermoeden dat er bewegende beelden werden afgespeeld. (…)
Na staandehouding bleek uit onderzoek dat betrokkene een telefoonhouder direct links naast zijn binnenspiegel had gemonteerd. Hierdoor kwam de telefoon direct voor het gezicht van de betrokkene te staan.”
5. De verweten gedraging is een overtreding van artikel 5.2.42 van de Regeling voertuigen (Rv). Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.”
6. Artikel 5.2.42 Rv is opgenomen in hoofdstuk 5, dat inhoudt de permanente eisen waaraan voertuigen dienen te voldoen. De Nota van toelichting bij dit artikel in voorheen het Voertuigreglement houdt onder meer in:
“Toegevoegd is de eis dat de ruiten niet mogen zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder beperken. Te denken valt daarbij aan stickers, lichtdoorlaatbaarheid beperkende folies of voor wat betreft de achterruit, jaloezieën die de achterruit dichtmaken. Een en ander zal in lagere regelgeving nader kunnen worden ingevuld.”.
7. De Rv bevat geen concrete uitwerking van hetgeen in art. 5.2.42 Rv is verboden.
8. Feitcode P041a ziet op een overtreding van artikel 5.18.4, onder a, van de Rv. Dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).”
Ten tijde van de gedraging was het sanctiebedrag bij deze feitcode € 240,-.
9. De toelichting op voornoemde regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2011, 19193) houdt ten aanzien van dit artikel onder meer in:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in die gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder. Voorheen had deze gebruikseis betrekking op de lading als zichtbelemmerende factor. Het artikel is nu zodanig geformuleerd dat het ziet op elke vorm van belemmering van het zicht. Dit betekent dat het zicht van de bestuurder naast lading, ook niet beperkt mag worden door verwisselbare uitrustingsstukken, sneeuw, ijs, modder, etc.”
10. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de telefoonhouder zo was gemonteerd, dat de telefoon voor het gezicht van de betrokkene kwam te staan. Hieruit blijkt voldoende dat het uitzicht werd belemmerd. Daar doet niet aan af dat de ambtenaar niet exact heeft weergegeven hoe hij onderzoek heeft verricht. Naar het oordeel van het hof heeft de ambtenaar de juiste feitcode gebruikt, nu de telefoonhouder aan de voorruit was gemonteerd. Hiermee is de voorruit voorzien van een onnodig voorwerp dat het zicht belemmert. Dat dit een geplaatst voorwerp in het voertuig is, maakt dit niet anders nu het voorschrift niet uitsluitend op de inrichting van permanente aard ziet zoals door de gemachtigde gesteld. De door de gemachtigde voorgestelde feitcode ziet op voorwerpen of substanties die niet als inrichting zijn aan te merken maar meer als lading in of op de auto, terwijl het in deze zaak een voorwerp betreft dat fysiek aan de voorruit was aangebracht.
11. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskosten vergoeding afwijzen.