Uitspraak
1.Tapijtwereld International B.V.,
Tapijtwereld c.s.en ieder afzonderlijk
Tapijtwereld en [appellant2],
[geïntimeerde]te noemen,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in tussentijds hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord tevens (voorwaardelijke) wijziging van eis
- de producties 7 tot en met 12 van de zijde van Tapijtwereld c.s.
- de producties 12 tot en met 15 van de zijde van [geïntimeerde]
- het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 september 2022 is gehouden in deze en de (op de rol gevoegde) zaak met nummer 200.294.974/01 tussen International Business Genemuiden B.V. en [naam1] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
.Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
jegens [geïntimeerde]geen sprake is geweest, omdat binnen [geïntimeerde] in de tijd dat [de directeur] het daar als zelfstandig bevoegd statutair directeur voor het zeggen had sprake was van een zwartgeldcircuit en dat de bedrijfscultuur waarin dit mogelijk was de instemming had van zowel de feitelijk acterende bestuurder als van
jegens [geïntimeerde] ,de vraag moet worden beantwoord of het handelen van [de directeur] als gevolg waarvan [geïntimeerde] spookfacturen van Tapijtwereld heeft voldaan, kan worden toegerekend aan [geïntimeerde] . Immers, voor aansprakelijkheid – in deze zaak op grond van onrechtmatige daad – is alleen plaats als het schade toebrengende handelen of nalaten heeft plaatsgevonden
jegens een ander: als [geïntimeerde] via toerekening van kennis moet worden geacht te hebben deelgenomen aan de handel in contant geld met Tapijtwereld c.s., kan zij Tapijtwereld c.s. niet verwijten onrechtmatig jegens [geïntimeerde] te hebben gehandeld aangezien dit evengoed handelen van [geïntimeerde] jegens zichzelf zou betreffen.
feitelijkezeggenschap van haar enig aandeelhouder [naam3] Beheer (al dan niet op de voet van artikel 2:239 lid 4 BW Pro) met betrekking tot