Op 21 april 2019 ontstond een brand in een woning waarbij verdachte en een benadeelde aanwezig waren. Verdachte werd beschuldigd van opzettelijke brandstichting door het gebruik van benzine en het aansteken daarvan. Forensisch onderzoek toonde sporen van motorbenzine en een vloeistofbrand aan, en er waren aanwijzingen dat verdachte benzine in kopjes had overgegoten terwijl er waxinelichtjes brandden.
Het hof oordeelde dat verdachte onbetrouwbaar verklaarde over de gebeurtenissen en dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld wat haar intenties waren ten tijde van de brand. Hoewel het gedrag van verdachte gevaarzettend was, kon niet worden bewezen dat zij opzettelijk brand heeft gesticht of bewust de aanmerkelijke kans op brand aanvaardde.
De rechtbank had verdachte veroordeeld, maar het hof vernietigde dit vonnis wegens een andere bewijswaardering en sprak verdachte vrij. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden afgewezen omdat de schuld van verdachte niet bewezen kon worden. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.