Uitspraak
1.[appellante1] ,
hierna te noemen: [appellante1] ,
2. [appellant2] ,
3. [appellante3] ,
[appellanten] c.s.,
de bank,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond een executieverkoop van twee appartementen centraal, waarbij de opbrengst van de veiling lager was dan het hoogste onderhandse bod dat voorafgaand aan de veiling was gedaan. De hypotheekgevers stelden dat de bank onzorgvuldig had gehandeld door niet op deze biedingen in te gaan en door hen niet van deze biedingen op de hoogte te stellen.
Het hof overwoog dat de bank niet verplicht was om op de onderhandse biedingen in te gaan en evenmin de notaris moest controleren of deze de biedingen aan de hypotheekgevers had doorgegeven. De zorgplicht van de bank brengt niet mee dat zij lichtvaardig gunstige biedingen moet negeren. De lagere veilingopbrengst ten opzichte van het hoogste bod is onvoldoende grond om de bank aansprakelijk te stellen.
De rechtbank had de vordering van de bank tot betaling van de restschuld toegewezen en het hof bekrachtigde dit vonnis. De hypotheekgevers werden veroordeeld tot betaling van de restschuld en de proceskosten. De klacht over de korte termijn tussen de kennisgeving van de biedingen en de executiedatum werd verworpen omdat deze termijn wettelijk is voorgeschreven.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot vermindering van de restschuld af.