Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:10117

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
200.324.059
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:444 BWArt. 1:445 BWArt. 1:362 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schadevergoeding wegens tekortschietend bewind over nalatenschap

In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een voormalig bewindvoerder centraal die het beheer voerde over de nalatenschap van een erfgenaam. De nalatenschap betrof circa €100.000 die geheel is verdampt. De bewindvoerder werd door de kantonrechter veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €62.678,90 aan de rechthebbende.

De bewindvoerder stelde in hoger beroep dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard of afgewezen, maar het hof oordeelde dat hij zijn gronden onvoldoende had onderbouwd. Hij had geen rekening en verantwoording afgelegd zoals voorgeschreven en verscheen niet op de mondelinge behandeling, waardoor het hof geen toelichting kreeg op de producties die hij had ingediend.

Het hof concludeerde dat de bewindvoerder tekort was geschoten in zijn zorgplicht en bevestigde de eerdere beschikking. Tevens werd de bewindvoerder veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, omdat het beroep nodeloos was en kosten veroorzaakte voor de wederpartij.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en transparante taakuitoefening door bewindvoerders en de strikte aansprakelijkheid bij tekortkomingen in het beheer van nalatenschappen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de veroordeling van de voormalige bewindvoerder tot betaling van €62.678,90 schadevergoeding en veroordeelt hem in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.059
(zaaknummer rechtbank Gelderland 9345323)
beschikking van 28 november 2023
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. J. van Ravenhorst te Utrecht,
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam1],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [naam1] ,
advocaat: mr. J.X.C. Peters te Woudenberg,
[de bewindvoerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen) van 16 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 maart 2023;
- een journaalbericht van mr. Van Ravenhorst van 22 maart 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. Van Ravenhorst van 9 oktober 2023.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2023 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- [naam1] , bijgestaan door zijn advocaat;
- de bewindvoerder.

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van 24 september 2014 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam1] onder bewind gesteld en [verzoeker] tot bewindvoerder benoemd.
3.2
Bij het testament van de vader van [naam1] , [naam2] , opgesteld op 10 februari 2009, is een testamentair bewind ingesteld over al hetgeen [naam1] uit de nalatenschap van zijn vader mocht verkrijgen. Tot bewindvoerder is [verzoeker] benoemd.
De vader van [naam1] is [in] 2015 overleden, derhalve na aanvang van het in 3.1 genoemde bewind.
[naam1] heeft de nalatenschap van zijn vader zuiver aanvaard op 3 september 2015.
[verzoeker] heeft de benoeming tot testamentair bewindvoerder op 3 september 2015 aanvaard.
3.3
Bij beschikking van 15 april 2021 is de voormalig bewindvoerder ontslagen als bewindvoerder op de voet van de beschikking van 24 september 2014 onder gelijktijdige benoeming van [de bewindvoerder] tot bewindvoerder.
3.4
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 24 februari 2022, heeft de bewindvoerder verzocht een schadevergoeding toe te kennen aan [naam1] van € 60.000,-, te betalen door [verzoeker] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kantonrechter [verzoeker] veroordeeld, als voormalig bewindvoerder, tot betaling aan [naam1] van een bedrag van € 62.678,90. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
[verzoeker] is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
[verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vorderingen van de bewindvoerder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Kosten rechtens.
4.3
[naam1] en de bewindvoerder hebben op de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (artikel 1:444 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). De kantonrechter kan de schade vaststellen die de rechthebbende heeft geleden door tekortschietend bewind van de bewindvoerder en de bewindvoerder veroordelen die schade aan de rechthebbende te vergoeden (artikel 1:445 lid 5 BW Pro in combinatie met artikel 1:362 BW Pro).
5.2
Het gaat in deze zaak – samengevat – over het volgende. Het aandeel van [naam1] in de nalatenschap van zijn vader bedroeg ongeveer € 100.000,-. Dit totale vermogen is verdampt. In geschil is of [verzoeker] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden.
5.2
Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] zijn gronden van het hoger beroep, bij gemotiveerde betwisting door [naam1] en de bewindvoerder, onvoldoende onderbouwd. Het is ook voor het hof volstrekt onduidelijk gebleven waar – onder andere – het geld van de door [naam1] ontvangen erfenis is gebleven. [verzoeker] heeft geen rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter – als voorgeschreven in artikel 1:445 BW Pro – en ook niet aan [naam1] – als testamentair bewindvoerder.
[verzoeker] heeft in het beroepschrift aangekondigd nog nadere schriftelijke bewijzen te overleggen, maar heeft dit vervolgens nagelaten.
Verder zijn [verzoeker] noch zijn advocaat op de mondelinge behandeling van het hof verschenen om de vele vragen van het hof te beantwoorden. In het beroepschrift wordt verwezen naar producties, maar zonder nadere toelichting is voor het hof niet duidelijk ter onderbouwing van welke stellingen de producties dienen. Als gevolg van het niet-verschijnen is iedere toelichting op die producties achterwege gebleven. Dit komt voor rekening en risico van [verzoeker] . Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
6.2
Naar het oordeel van het hof is gezien de geschetste wijze van procederen sprake van een hoger beroep dat voor [naam1] /de bewindvoerder nodeloos tot kosten heeft geleid. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof daarom [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [naam1] zullen worden vastgesteld op: salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te weten 1 punt en tarief IV ad € 2.157,- en te vermeerderen met de nakosten van € 173,-.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen, van 16 december 2022;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [naam1] nader vastgesteld op € 2.330,-;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 28 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.