ECLI:NL:GHARL:2023:10180

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 november 2023
Publicatiedatum
29 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.321.998/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 1 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijvenArt. 2 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijvenArt. 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor vasthouden mobiel tijdens rijden ondanks betwisting

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €250 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 22 juli 2021 in Amsterdam. De betrokkene ontkende de gedraging en voerde aan dat de sanctie ten onrechte aan haar was opgelegd en dat de ambtenaar zijn verklaring achteraf had geconstrueerd.

De gemachtigde voerde tevens aan dat de sanctie aan de kentekenhouder had moeten worden opgelegd en dat de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven niet was nageleefd, waardoor cumulatie van sancties zou zijn ontstaan. Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar betrouwbaar was en dat de sanctie terecht aan de betrokkene was opgelegd, mede omdat haar rijbewijs was gevorderd.

Verder stelde het hof vast dat de Aanwijzing was nageleefd omdat voor meerdere gedragingen verbalen waren opgemaakt en dat de administratieve sanctie passend was binnen één traject. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Het hof bevestigde daarmee de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie van €250 voor het vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.998/01
CJIB-nummer
: 243756338
Uitspraak d.d.
: 29 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 november 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor:
“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juli 2021 om 12:00 uur op de Haarlemmerweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene heeft geen mobiel elektronisch apparaat vastgehouden tijdens het rijden. Pas nadat de betrokkene aan de ambtenaar verklaarde dat zij een foto van hem had gemaakt, heeft hij aangegeven dat daar ook een sanctie voor zou worden opgelegd. Dit zou betekenen dat de ambtenaar zijn verklaring achteraf heeft opgemaakt en het onderdeel ‘rijden’ uit de lucht heeft gegrepen. Voorts voert de gemachtigde aan dat de onderhavige sanctie ingevolgde artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd had moeten worden. De betrokkene is weliswaar staande gehouden door de ambtenaar, maar toen is haar medegedeeld dat ze op het politiebureau in Amsterdam moest verschijnen om te worden verhoord aangaande de waarnemingen van de ambtenaar. Dit betekent dat de identiteit van de bestuurder niet aanstonds is vastgesteld en de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. Verder stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat in de onderhavige zaak de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: Aanwijzing) die bedoeld is om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen niet in acht is genomen. De gemachtigde wijst hierbij op een recente conclusie van de advocaat-generaal, vindplaats ECLI:NL:PHR:2023:842.
3. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie zich tijdens de zitting bij de kantonrechter op het standpunt heeft gesteld dat diens beslissing en de inleidende beschikking moeten worden vernietigd en de kantonrechter kan - aldus de gemachtigde - gezien de eigenstandige bevoegdheid van de officier van justitie dan niet meer beslissen dat de sanctie in stand dient te blijven. Het hof volgt de gemachtigde hierin niet. Als namens het openbaar ministerie alleen het standpunt wordt ingenomen dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, zoals in de onderhavige zaak het geval is, hoeft de kantonrechter dat standpunt niet in alle gevallen te volgen. In dit geval is het aan de kantonrechter om zelfstandig tot een beoordeling te komen inzake de vaststelling van de gedraging. De kantonrechter is in casu dan ook niet gebonden aan het ter zitting van de kantonrechter ingenomen standpunt van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie. De aangevoerde grond treft derhalve geen doel.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurster een telefoon in haar hand had. Ik zag duidelijk dat de telefoon op mijn privé voertuig werd gericht. Ik vermoed dat de bestuurster mijn voertuig aan het filmen was. Ik zag dat ze haar telefoon in haar hand hield. Ik zag dat ze dichterbij kwam en ik zag dat de telefoon mijn richting op bleef draaien totdat ze mij voorbij reed. (…)
Verklaring betrokkene: ik hield hem in eerste instantie niet vast, hij zat namelijk in de houder. Bij het stoplicht haalde ik hem eruit en filmde [naam2] . Ik heb hem niet echt gefilmd. Hij heeft mij ook niet gezien met mijn telefoon.”
6. In een aanvullend proces-verbaal van 18 april 2023 verklaart de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende:
“Ik zag dat de bestuurder van de Polo vreemde stuurbewegingen en overmatige stuurcorrecties maakte en onnodig links bleef rijden. (…) Ik zag dat de persoon in de Polo een apparaat vasthield wat voor mij sterk leek op een wimperkrultang. (…) Nadat wij stil stonden voor het verkeerslicht in Halfweg zag ik dat de bestuurster haar gezicht aan het deppen was. (…) Mijn vermoeden was dan ook dat de bestuurster zich aan het opmaken was tijdens het besturen van haar voertuig. (…) Ik zag op een gegeven moment dat de Polo half op de 1e rijstrook en 2e rijstrook ging rijden. Dit maakte de indruk dat de bestuurster van rijbaan ging verwisselen. Echter gebeurde dit niet en ging zij weer terug naar de 1e rijstrook. Ik heb op dat moment kortstondig op mijn claxon gedrukt om de bestuurster kenbaar te maken dat ze moest opschuiven. (…) Ik zag dat het voertuig scherp naar links en weer naar rechts ging. Kort daarop trapte de bestuurster hard op haar rem terwijl hier geen noodzaak voor was. (…) Dit heet een remmencheck. (…)
Nadat ik aangekomen was bij de kruising van de Haarlemmerweg met de Seineweg zag ik dat de Polo de rijstrook voor linksaf nam. Ik zag dat de bestuurster een telefoon in haar hand had. Ik zag duidelijk dat de telefoon op mijn privé voertuig werd gericht. Nadat ik dit zag ben ik tevens de rijstrook voor linksaf opgereden. (…)
De volgende gedragingen heb ik geconstateerd:
Onvoldoende rechts houden
Afleiding (opmaken tijdens het besturen van een voertuig)
Remmen checken
Mobiele telefoon vasthouden tijdens het besturen van een voertuig
De volgende verbalen zijn opgemaakt:
Remcheck (artikel 5 WVW Pro 1994)
Mobiele telefoon vasthouden
Onvoldoende rechts houden
(…)”
7.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de verklaringen van de ambtenaar worden vastgesteld dat de betrokkene een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden tijdens het rijden. Hieruit volgt immers dat de betrokkene een telefoon in haar hand hield en op het voertuig van de ambtenaar richtte en in diens richting bleef draaien totdat zij de ambtenaar voorbij reed. Het hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat de verklaring van de ambtenaar achteraf moet zijn opgemaakt. Dat deze verklaring pas is opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 18 april 2023 doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. De grond faalt.
8.
Ook de grond dat de sanctie had moeten worden opgelegd aan de kentekenhouder faalt. Zowel uit het zaakoverzicht als het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de betrokkene is staande gehouden en dat de ambtenaar hierbij het rijbewijs van de betrokkene heeft gevorderd welke vervolgens is overhandigd. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene opgelegd.
9. Artikel 1 van Pro de vanaf 1 januari 2018 geldende Aanwijzing luidt als volgt:
Afdoening overeenkomstig de Richtlijn
Feitgecodeerde zaken worden door de opsporingsinstantie of het OM afgedaan overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen.
Om ongewenste cumulatie te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een administratieve sanctie opgelegd, een strafbeschikking uitgevaardigd of een proces-verbaal opgemaakt.
Indien, bijvoorbeeld bij het volgen van een voertuig, meerdere overtredingen kort na elkaar worden geconstateerd, wordt eveneens voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd of een strafbeschikking uitgevaardigd. Als het wenselijk is dat alle overtredingen worden benoemd dan moet worden afgezien van de administratiefrechtelijke weg of het uitvaardigen van een strafbeschikking en moet het rijgedrag van de bestuurder en de door hem gepleegde overtredingen worden vastgelegd in een proces-verbaal.
Artikel 2 van Pro de Aanwijzing luidt als volgt:
Uitgangspunt: Afdoening via één traject
Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd, óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.
10. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van één gebeurtenis/moment in de zin van de Aanwijzing. Uit het aanvullend proces-verbaal van de betrokken ambtenaar volgt dat gedurende één controle waarbij de ambtenaar het voertuig van de betrokkene is gevolgd meerdere overtredingen zijn waargenomen en dat de betrokkene vervolgens staande is gehouden waarbij zij is geconfronteerd met de waarnemingen. Uit dit aanvullend proces-verbaal blijkt ook dat voor drie gedragingen verbalen zijn opgemaakt, waaronder de onderhavige gedraging.
11. Ondanks dat niet duidelijk is geworden of voor wat betreft de andere twee gedragingen, te weten een remcheck (artikel 5 WVW Pro 1994) en onvoldoende rechts houden, sancties zijn opgelegd en welk traject er is gevolgd, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval niet in strijd met de Aanwijzing is gehandeld. In het geval dat voor alle drie de gedragingen administratiefrechtelijke sancties zijn opgelegd, is geen sprake van strijd met de Aanwijzing nu het als dan is afgedaan via één traject en ongewenste cumulatie van sancties is voorkomen door voor slechts drie overtredingen een sanctie op te leggen. Echter ook in het geval dat er naast de onderhavige administratieve sanctie nog een of twee gedragingen via een strafrechtelijk traject lopen, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van strijd met de Aanwijzing. Immers is er in het aanvullend proces-verbaal van 18 april 2023 melding gemaakt van het feit dat er voor meerdere gedragingen verbalen zijn opgemaakt. In het strafrechtelijk traject kon dan ook rekening gehouden worden met de administratieve sanctie(s). De door de gemachtigde aangehaalde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geeft geen gewijzigd inzicht. De grond faalt.
12. Nu de door de gemachtigde aangevoerde gronden falen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.