ECLI:NL:GHARL:2023:10211

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 november 2023
Publicatiedatum
30 november 2023
Zaaknummer
Wahv 200.324.209/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 7:18 AwbArt. 11 WahvArt. 19 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens overschrijding redelijke termijn bij rechts inhalen op A7

De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor rechts inhalen op de A7 te Beetsterzwaag op 3 juli 2020. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen deze beslissing.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het dossier onvoldoende informatie bevatte om de overtreding vast te stellen en verzocht om verstrekking van videobeelden die niet in het dossier waren opgenomen. Het hof oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld op basis van de trajectsnelheidsmetergegevens en dat de videobeelden geen onderdeel van het dossier zijn en niet verplicht zijn om te worden verstrekt.

Het hof stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting was overschreden en matigde daarom de boete met 25 procent van € 240 naar € 180. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 418,50 aan de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Boete voor rechts inhalen verminderd van €240 naar €180 vanwege overschrijding redelijke termijn, proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.209/01
CJIB-nummer
: 234704325
Uitspraak d.d.
: 30 november 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 12 december 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 juli 2020 om 16:45 uur op de A7 in Beetsterzwaag met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat het dossier te weinig informatie bevat om de gedraging te kunnen vaststellen. De betrokkene kan niet meer doen dan de gedraging ontkennen nu hij alleen in het voertuig zat en niet beschikt over een dashcam. Verder voert de gemachtigde aan dat de ambtenaar over een opname verklaart, maar dat de opname niet in het dossier zit. De gemachtigde verzoekt de opname alsnog te verstrekken of – indien de deze niet meer beschikbaar is – de inleidende beschikking te vernietigen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Rijstrook waarop betrokkene aanvankelijk reed: 1. Rijstrook waarop betrokkene inhaalde: 2. Snelheid waarmee betrokkene inhaalde: 120 kilometer per uur. Aantal ingehaalde voertuigen 1. (…) Reden geen staandehouding: andere overtreding had meer prioriteit.”
5. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal waarin onder meer is verklaard:
“Op de dag van de overtreding d.d. 3 juli 2020, werd kort voor deze overtreding, te weten 16:44 uur, een snelheidsovertreding vastgelegd van netto 42 kilometer per uur. Dit houdt in dat de pleger hiervan OM-verdachte wordt en 2 jaar geregistreerd wordt en bij recidive kans maakt het rijbewijs in te moeten leveren. In afweging van de zwaarte welke overtreder we staande wilden houden, besloten we dus de overtreder van de snelheid staande te houden en het rechts inhalen op kenteken af te doen. Dit had achteraf beter verwoord kunnen worden in het proces-verbaal. De overtreding werd, net als de snelheidsovertreding, vastgelegd met een videovoertuig. Dit betreft een onherkenbaar voertuig en wordt ingezet ten behoeve van verkeershandhaving. Ook wel VROS-voertuig genoemd (Video Registratie Onopvallende Surveillance). Omdat in specifiek geval geen mogelijkheid bleek om de overtreder staande te houden en hem aan de hand van de beelden te confronteren met zijn verkeersgedrag, werden desondanks de beelden opgeslagen ten behoeve van justitie. Indien gewenst kunnen deze nog worden verstrekt.”
6. De verklaring van de ambtenaar bevat naar oordeel van het hof voldoende informatie om de gedraging te kunnen vaststellen. De stukken in het dossier geven geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Nu de gemachtigde evenmin argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel, kan de gedraging worden vastgesteld.
7. Degene die hoger beroep heeft ingesteld heeft op grond van artikel 19, vierde lid, van de Wahv in beginsel recht op afschriften van de door hem omschreven stukken. De door de gemachtigde gevraagde beelden maken echter geen deel uit van het dossier. Geen rechtsregel schrijft voor dat de beelden deel moeten uitmaken van het dossier. De gedraging is niet vastgesteld op basis van de videobeelden die de ambtenaar noemt in het aanvullend proces-verbaal, maar op basis van de resultaten van de meting met een trajectsnelheidsmeter. Die resultaten zijn opgenomen in het zaakoverzicht dat op verzoek van de gemachtigde in administratief beroep aan de gemachtigde is verstrekt. De videobeelden betreffen geen op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om de beelden aan het dossier toe te laten voegen.
8. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
9. De proceskosten in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden, komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 418,50 (= 2 x € 837,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 180,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 418,50.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.