De zaak betreft een ontnemingsvordering tegen betrokkene, die is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Het hof onderzoekt het wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene zou hebben genoten uit verschillende inkomstenbronnen, waaronder de verhuur van cannacutters ten behoeve van grootschalige hennepteelt.
De advocaat-generaal vordert een schatting van het voordeel op €503.373,27, terwijl betrokkene stelt dat zijn inkomsten legaal zijn, met name de verhuur van knipmachines voor 1 maart 2015. Het hof oordeelt dat de inkomsten uit de verhuur van cannacutters wel degelijk uit strafbare feiten afkomstig zijn, gelet op de geheimzinnige werkwijze van betrokkene en de aard van de hennepteelt.
Het hof baseert zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder ontnemingsrapporten, belastingaangiften en verklaringen van betrokkene. Het stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €157.472,00 en legt een betalingsverplichting aan de Staat op van €155.000,00, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht.