Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2023:10486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
Wahv 200.329.435
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 17 UVRMArt. 20 UVRMArt. 30 UVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet stellen zekerheid bij verkeersboete

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die zijn beroep tegen de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig stellen van zekerheid voor betaling van een sanctie van €51,- en administratiekosten.

De betrokkene voerde onder meer aan dat de beslissing een dreigement was, dat hij als vrij en soeverein mens geen contract had met de belastingdienst, en dat de opgelegde dwang in strijd was met diverse artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Uniform Commercial Code. Het hof oordeelde dat deze argumenten niet leiden tot het niet van toepassing zijn van de Nederlandse wetgeving.

Het hof benadrukte dat het niet aan de rechter is om de innerlijke waarde van de wet te beoordelen of terzijde te stellen en dat volkenrechtelijke verdragen de toepassing van nationaal recht niet in de weg staan. Omdat de betrokkene geen zekerheid stelde en dit hem kan worden toegerekend, bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en kon het de inhoudelijke bezwaren tegen de sanctie niet beoordelen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet stellen van zekerheid conform artikel 11 Wahv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.329.435/01
CJIB-nummer
: 251879757
Uitspraak d.d.
: 11 december 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie (in dit geval € 51,-) en de administratiekosten. De officier van justitie heeft de betrokkene op juiste wijze geïnformeerd over deze verplichting. Er is niet (tijdig) zekerheid gesteld.
2. De betrokkene brengt in hoger beroep het volgende naar voren:
- de beslissing van de kantonrechter is een vorm van een dreigement van eventuele vervolgstappen en heeft geleid tot het vaststellen van een voorlopige boete van € 25.000,00, indien deze navolging gaat hebben;
- deze beslissing is verzonden vanuit “State of the Netherlands” (ingeschreven bij U.S. Securities and Exchange Commission – EDGAR), naar een vrij mens van vlees en bloed, welke geen contract is aangegaan met de belastingdienst. Indien hij in redelijkheid en billijkheid een rekening moet betalen, verzoekt hij om een goed onderbouwde factuur toe te sturen;
- de contractloze dwang is geheel of deels in strijd met artikel 11, 17, 20 en 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM);
- ondergetekende heeft volgens UCC1-103 en UCC1-308 een overeenkomst, financial statement, met de juridische entiteit [de betrokkene] , te lezen onder nummer [nummer1] .
3. Eenieder die in Nederland woont, leeft of verblijft, dient zich te houden aan de in Nederland geldende regels. Het hof begrijpt dat de betrokkene in Nederland als vrij en soeverein mens van vlees en bloed wil leven. De betrokkene heeft bezwaar tegen dwingende en eenzijdig opgelegde regels. Voor zover daarmee wordt beoogd dat het hof dient te oordelen dat de wet niet, althans niet op de door de wetgever beoogde wijze, op hen van toepassing is, kan daaraan niet worden tegemoetgekomen. Het staat de rechter op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde van de wet te beoordelen en deze terzijde te stellen. Indien de principieel andere visie van de betrokkene zou moeten leiden tot een andere inrichting van de Staat en wetgeving, is het aan de wetgever om daarin keuzes te maken. Verder is het standpunt van de betrokkene dat volkenrechtelijke verdragen in de weg staan aan de uitoefening van de Nederlandse rechtsmacht, onjuist. Het hof erkent ten volle de rechten die voortvloeien uit het volkenrecht, maar die rechten staan er niet aan in de weg dat bepalingen van nationaal recht van toepassing kunnen zijn. Tenslotte kunnen de Universal Commercial Code, noch de door de betrokkene gestelde ‘voorlopige boete’ evenmin leiden tot het opzijzetten van de Nederlands plicht om zekerheid te stellen als in beroep wordt gegaan tegen de beslissing van de officier van justitie.
4. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld en niet is gebleken dat dit de betrokkene niet kan worden toegerekend, heeft de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Dit heeft tot gevolg dat het hof de bezwaren tegen de opgelegde sanctie van € 51,- voor een snelheidsovertreding niet kan beoordelen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.