Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een verzoek tot uithuisplaatsing van een ongeboren kind, waarbij het hof het beroep van de moeder behandelt tegen een eerdere beschikking van de kinderrechter. De moeder is zwanger en de vader is gedetineerd tot juli 2024, waardoor de moeder na de geboorte alleen verantwoordelijk zal zijn voor de verzorging van het kind.
De kinderrechter had een machtiging tot uithuisplaatsing verleend vanaf 7 december 2023, maar het hof oordeelt dat een machtiging voor uithuisplaatsing van een ongeboren kind feitelijk niet mogelijk is en vernietigt dit deel van de beschikking. Vanaf de geboorte is de machtiging echter wel noodzakelijk.
Het hof baseert dit op de kwetsbaarheid van de baby en de intensieve verzorging die nodig is. De moeder heeft twee andere kinderen die uit huis geplaatst zijn vanwege een onveilige opvoedingssituatie. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening in de thuissituatie en steun van de oma van vaderszijde, acht het hof deze ondersteuning onvoldoende en onzeker. Meldingen van huiselijk geweld en middelengebruik, vluchtgedrag van de vader en het onvermogen van de moeder om hulpverlening te accepteren versterken deze conclusie.
Het hof beveelt de moeder aan alsnog opname in een moeder-kind-huis te overwegen en benadrukt het belang van voortzetting van persoonlijke hulpverlening voor beide ouders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend vanaf de geboorte tot 7 maart 2024 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het kind vanaf de geboorte tot 7 maart 2024 wegens onvoldoende zekerheid over de verzorgingscapaciteit van de moeder.