In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 januari 2022. Het openbaar ministerie had hoger beroep ingesteld met het verzoek tot vernietiging van het vonnis en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk.
Het hof heeft de verklaringen van de broer van aangeefster, een brief van een psycholoog en een medisch verslag beoordeeld als mogelijke steunbewijzen. Deze stukken boden echter onvoldoende ondersteuning voor de tenlastegelegde feiten. De verklaring van de broer was te algemeen en het verband met de tenlastegelegde gedragingen onvoldoende aannemelijk. De brief van de psycholoog toonde geen direct verband met het misbruik, en het medische verslag was summier en onvoldoende om gedragsveranderingen direct aan het misbruik toe te schrijven.
Gezien het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank bevestigd en verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Tevens werden de vorderingen van de benadeelden niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek tot het houden van een schouw behoeft geen bespreking meer.