ECLI:NL:GHARL:2023:11074

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 december 2023
Publicatiedatum
5 februari 2024
Zaaknummer
21-003486-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens samenloop met echtgenoot

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel is de betrokkene veroordeeld voor opzetheling en kreeg zij een taakstraf opgelegd. Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan betrokkene werd toegerekend onderzocht en vastgesteld dat dit voordeel samenvalt met het voordeel dat haar echtgenoot heeft genoten.

Er is een procesafspraak tussen het Openbaar Ministerie en de echtgenoot van betrokkene waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 435.000,00. Betrokkene heeft deze overeenkomst medeondertekend, hoewel zij formeel geen partij is.

Het hof oordeelt dat het financieel voordeel van betrokkene niet apart kan worden toegewezen en dat het ontnemingsbedrag daarom nihil moet zijn. De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd zodat opnieuw recht wordt gedaan.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen betrokkene wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003486-22
Uitspraak d.d.: 20 december 2023
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 juni 2022 met parketnummer 08-963631-18 in de strafzaak tegen

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en haar raadsman,
mr. E.E.W.J. Maessen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Procesafspraken

Op 1 december 2023 heeft het hof een ondertekende overeenkomst met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de echtgenoot van betrokkene, de heer [echtgenoot] , ontvangen. Hoewel betrokkene formeel geen partij is bij deze overeenkomst heeft zij deze als echtgenote van [echtgenoot] en als blijk van instemming met de inhoud daarvan medeondertekend. Het afdoeningsvoorstel houdt – kort gezegd en voor zover relevant voor de onderhavige zaak – in dat het Openbaar Ministerie in de ontnemingszaak tegen [echtgenoot] (met parketnummer 21-003485-22) zal vorderen dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 435.000,00 en de betalingsverplichting eveneens op voornoemd bedrag zal worden vastgesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de procesafspraken en de totstandkoming daarvan door partijen bevestigd en toegelicht.
Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene en [echtgenoot] vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust waren van de rechtsgevolgen zijn gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. In de straf- en ontnemingszaak van [echtgenoot] heeft het hof bij arrest van vandaag conform voornoemde procesafspraken beslist.

De vordering van het Openbaar Ministerie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 435.235,58 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel en de verplichting tot betaling aan de Staat wordt vastgesteld op nihil, indien en voor zover het hof de procesafspraken in de ontnemingszaak tegen [echtgenoot] volgt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens verzocht het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel en de verplichting tot betaling aan de Staat vast te stellen op nihil.

Het oordeel van het hof

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij vonnis van rechtbank Overijssel van 14 juni 2022 (parketnummer 08-963631-18) ter zake van opzetheling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is weliswaar gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten, maar eveneens is gebleken dat het door betrokkene genoten financieel voordeel samenvalt met het wederrechtelijk voordeel dat haar echtgenoot ( [echtgenoot] ) heeft genoten, en dat bij gelijktijdig te wijzen arrest aan hem ontnomen zal worden, te weten € 435.000,00.
De verplichting tot betaling aan de staat
Het hof zal gelet op het bovenstaande de betalingsverplichting van betrokkene matigen tot nihil.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. J.A.W. Lensing en mr. Th.C.M. Willemse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,
en op 20 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.