Art. 163 lid 6 WVW 1994Art. 163 lid 5 WVW 1994Art. 1a Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 359a SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak wegens twijfel over bevoegdheid bevel tot bloedonderzoek
Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek op grond van artikel 163 lid 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof vernietigt dit vonnis omdat twijfel bestaat over de bevoegdheid van de verbalisant die het bevel gaf.
Het geschil draait om de vraag of het bevel tot bloedonderzoek is gegeven door een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie. De verbalisant was niet benoemd in schaal acht of hoger, wat volgens de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer vereist is om een dergelijk bevel te geven.
De advocaat-generaal vorderde een bewezenverklaring, maar erkende dat het bevel mogelijk onbevoegd was gegeven. De verdediging stelde vrijspraak of subsidiair ontslag van rechtsvervolging voor. Het hof concludeert dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het bevel door een bevoegde persoon is gegeven en spreekt verdachte vrij.
Het arrest is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 1 februari 2023 na behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Zwolle van 9 april 2021.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat het bevel tot bloedonderzoek door een bevoegde ambtenaar is gegeven.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002044-21
Uitspraak d.d.: 1 februari 2023
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle , van 9 april 2021 met parketnummer 08-032560-21 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 januari 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 vanPro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. A.C. Huisman, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 9 april 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 14 maanden, wegens – kort gezegd – het weigeren van medewerking aan het bevel zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks [pleegdatum] 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
Vrijspraak
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hierbij heeft hij verwezen naar het e-mailbericht van het openbaar ministerie van 18 maart 2022. Daarin is uiteengezet dat het bevel aan verdachte tot het meewerken aan een bloedonderzoek niet door een hulpofficier van justitie of een aangewezen ambtenaar in de zin van artikel 163, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet, is gedaan. Dat betekent dat de daarop betrekking hebbende zinsnede in de (standaard)tenlastelegging “hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen” niet bewezen kan worden, maar niet dat een algehele vrijspraak moet volgen. Immers deze zinsnede is niet als bestandsdeel opgenomen in de delictsomschrijving van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet. Het verzuim is wel een (onherstelbaar) vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, maar dat behoeft – gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad – in onderhavige zaak niet te leiden tot bewijsuitsluiting. Constatering van dit verzuim is voldoende.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu uit het e-mailbericht van het openbaar ministerie van 18 maart 2022 blijkt van een onbevoegd gegeven bevel. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er niet bewezen kan worden verklaard dat er een bevel door een hulpofficier van justitie of door een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie is gegeven. Verder heeft niemand anders dan in de in artikel 163, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet genoemde ambtenaren de bevoegdheid om dat bevel te geven. Er was dus sprake van een onbevoegd gegeven bevel en er is geen grondslag voor een verplichting om een onbevoegd gegeven bevel op te volgen, aldus de raadsman. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, blijkt dat verdachte geen toestemming heeft gegeven voor een bloedonderzoek en dat daarna door verbalisant [naam] een bevel tot medewerking aan een bloedonderzoek is gegeven, nu de hulpofficier niet beschikbaar was.
Een bevel tot het meewerken aan een bloedonderzoek kan door een hulpofficier van justitie of door een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie worden gegeven. De door de Minister van Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie kan op grond van artikel 1a van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer enkel een bevel tot meewerken aan een bloedonderzoek geven, indien deze ambtenaar in schaal acht of hoger is benoemd. In het proces-verbaal rijden onder invloed van [datum] 2020 wordt op pagina [nummer] door verbalisant [naam] gerelateerd dat hij een daartoe bij de regeling van de minister van justitie en veiligheid aangewezen ambtenaar is. In het e-mailbericht van de advocaat-generaal van 18 maart 2022 staat echter dat verbalisant [naam] niet in schaal acht of hoger is benoemd en dat hij dus niet was aangewezen om een dergelijk bevel te geven. Nu de inhoud van het dossier, waaronder begrepen het email bericht van 18 maart 2022, niet eenduidig is over de vraag of de verbalisant een door de regeling aangewezen ambtenaar was, is daarover twijfel. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen dat sprake is geweest van een bevel dat door een hulpofficier van justitie of door een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie is gegeven, zoals is tenlastegelegd. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. K.J.C. Geeve, voorzitter,
mr.drs. H.M. Braam en mr. P.T. Heblij, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.B.T. Renes, griffier,
en op 1 februari 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 februari 2023.
Tegenwoordig:
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,
mr. E.G. Ruissaard, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.