Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank
2.Het verloop van de procedure in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De beslissing
3 januari 2023.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van haar verzoek tot faillietverklaring van geïntimeerde. Het geschil betreft de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de EU-Insolventierechtverordening en de Faillissementswet.
Appellante stelt dat geïntimeerde, hoewel deels woonachtig in Brazilië, voldoende bindingen met Nederland heeft, waaronder bankrekeningen, een Nederlands telefoonnummer, familie en een voormalige onderneming. Het hof toetst de plaats van het centrum van de voornaamste belangen (COMI) aan de hand van objectieve criteria en het moment van indiening van het verzoek.
Het hof concludeert dat geïntimeerde feitelijk in Brazilië woont, zijn Nederlandse onderneming is uitgeschreven, de gezamenlijke woning is verkocht en dat de geringe aanwezigheid in Nederland onvoldoende is om Nederland als COMI aan te merken. Ook artikel 2 Fw Pro biedt geen bevoegdheid omdat de schuldenaar bij vertrek uit Nederland nog geen schuld aan appellante had.
Daarom blijft de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland gehandhaafd en is de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van het faillissementsverzoek.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd om kennis te nemen van het faillissementsverzoek omdat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar niet in Nederland is gelegen.