ECLI:NL:GHARL:2023:1576
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Termijn voor hoger beroep in echtscheidingsprocedure bij niet-verschijnen echtgenoot in eerste aanleg
In deze zaak staat centraal of het hoger beroep van de vrouw tegen nevenvoorzieningen in een echtscheidingsbeschikking tijdig is ingesteld, terwijl zij in eerste aanleg niet is verschenen.
De rechtbank Midden-Nederland had op 8 juli 2022 de echtscheiding uitgesproken en nevenvoorzieningen getroffen. De vrouw stelde op 2 november 2022 hoger beroep in tegen een deel van de nevenvoorzieningen, maar niet tegen de echtscheiding zelf. De man betoogde dat artikel 820 Rv Pro niet van toepassing is omdat het hoger beroep niet tegen de echtscheiding zelf was gericht, waardoor de termijn van artikel 358 Rv Pro zou gelden en het beroep te laat zou zijn.
Het hof overwoog dat de echtscheiding en nevenvoorzieningen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat artikel 820 Rv Pro daarom ook geldt voor hoger beroep tegen nevenvoorzieningen. Aangezien de vrouw in eerste aanleg niet was verschenen, geldt voor haar de afwijkende termijnregeling van artikel 820 Rv Pro. De beschikking was op 18 juli 2022 op een andere wijze dan persoonlijk betekend en op 4 augustus 2022 openlijk bekendgemaakt. De beroepstermijn liep daarom tot 4 november 2022, en het beroepschrift van 2 november 2022 was tijdig.
Het hof verklaarde de vrouw ontvankelijk in haar hoger beroep en gaf de man de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen binnen zes weken. De beschikking werd op 21 februari 2023 uitgesproken.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vrouw tijdig en ontvankelijk.