De man en vrouw zijn ex-echtgenoten die huwelijkse voorwaarden sloten met een finaal verrekenbeding. Na hun scheiding ontstond een geschil over de afwikkeling van hun vermogens en een geldlening van €235.596,- die de man aan de vrouw verstrekte.
De rechtbanken hadden eerder verschillende uitspraken gedaan over de vorderingen van beide partijen. De vrouw vorderde een bedrag uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, terwijl de man stelde dat hij een geldlening had verstrekt die nog niet was voldaan.
Het hof oordeelde dat de geldlening niet was voldaan en niet verjaard, omdat de man deze pas in 2020 opeiste. Het vermogen van partijen werd vastgesteld, waarbij de vrouw onderbedeeld was en de man overbedeeld. Het hof stelde vast dat de vrouw aan de man een bedrag van €117.043,91 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente, en wees een betalingsregeling af als onredelijk.
De kosten van het geding werden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen en sprak het arrest uit op 28 februari 2023.