ECLI:NL:GHARL:2023:1802

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
200.312.567/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren zonder opladen op elektrische laadplek

De betrokkene kreeg een sanctie van €100 opgelegd wegens parkeren op een plek bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen zonder daadwerkelijk op te laden. De betrokkene stelde dat het onderbord slechts informatief was en niet verplichtte tot opladen, en voerde aan dat een andere feitcode toegepast had moeten worden.

Het hof oordeelde dat het onderbord wel degelijk een verplichting inhoudt om het voertuig op te laden en dat het feit dat het voertuig niet werd opgeladen de overtreding bevestigt. De overige beroepsgronden werden als herhaling van eerdere argumenten verworpen.

Daarom bevestigde het hof het vonnis van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en op een openbare zitting uitgesproken.

Uitkomst: Sanctie van €100 bevestigd voor parkeren zonder opladen op elektrische laadplek, verzoek proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.567/01
CJIB-nummer
: 242092271
Uitspraak d.d.
: 2 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 13 december 2022 is nog een e-mail van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “R397ea - parkeren op een parkeergelegenheid met een ander doel dan de aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 juni 2021 om 10:34 uur op de Van Langendonckstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene betoogt dat een onderbord ‘opladen voor elektrische voertuigen’ slechts aanduidt dat ter plaatse
kanworden opgeladen, niet dat dit verplicht is. Subsidiair had volgens de gemachtigde feitcode R397e (op een parkeergelegenheid, terwijl blijkens de aanduiding op het bord of op het onderbord, dat voertuig staat geparkeerd op een andere dan de aangegeven wijze) moeten worden toegepast. Voor het overige herhaalt de gemachtigde de bij de kantonrechter aangevoerde beroepsgronden.
3. Uit het zaakoverzicht, in combinatie met de foto’s in het dossier, blijkt dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een parkeerplaats voorzien van een bord E4 met een onderbord ‘opladen elektrische voertuigen’. Het onderbord houdt, anders dan de gemachtigde betoogt, in dat ter plaatse slechts mag worden geparkeerd met het doel om een (elektrisch) voertuig op te laden.
4. Niet in geding is dat het voertuig van de betrokkene niet werd opgeladen. Gelet daarop is de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd, verricht.
5. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking, nu deze een herhaling zijn van de bij de kantonrechter aangevoerde gronden en de kantonrechter daarop juist heeft beslist.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.