ECLI:NL:GHARL:2023:1839

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
200.313.093
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) nr. 4/2009Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: doorbreking wettelijk stelsel voor biologische vader

De vrouw en de man zijn gehuwd en hebben samen een kind, [de minderjarige1], waarvan de man de biologische vader is. De juridische vader is echter de ex-echtgenoot van de vrouw, die in Polen woont en onderhoudsplichtig is volgens de wet. De rechtbank verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om kinderalimentatie van de man voor dit kind, omdat hij niet de juridische vader is.

In hoger beroep oordeelt het hof dat het wettelijk stelsel van onderhoudsverplichtingen op grond van artikel 8 EVRM Pro kan worden doorbroken wanneer de wettelijke vader niet bijdraagt en het niet redelijk is van de onderhoudsgerechtigde dit te verlangen. De vrouw heeft een procedure in Polen gestart om het vaderschap van de juridische vader te ontkennen, maar deze heeft niet deelgenomen. De man heeft het kind samen met de vrouw opgevoed en onderhoudt een gezinsleven met het kind.

Het hof vindt dat de man als biologische vader een bijdrage moet leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Het hof vernietigt daarom het eerdere vonnis en bepaalt dat de man vanaf 25 november 2021 € 191 per maand aan kinderalimentatie betaalt, telkens vooruit te voldoen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De man wordt verplicht vanaf 25 november 2021 € 191 per maand kinderalimentatie te betalen voor het kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.313.093
(zaaknummer rechtbank Gelderland 389943)
beschikking van 2 maart 2023
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E. Kocabas-Güler te Zoetermeer,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 21 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 juni 2022;
  • een journaalbericht van mr. Abd Rabou (kantoorgenoot van mr. Kocabas-Güler) van
19 augustus 2022 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2023 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De man heeft zich bij brief van 6 januari 2023 afgemeld voor de zitting.
2.3
Na de mondeling behandeling is met toestemming van het hof binnengekomen een journaalbericht van mr. Kocabas-Güler van 2 februari 2023 met bijlage. In die bijlage geeft de bewindvoerder van de vrouw toestemming voor het voeren van deze gerechtelijke procedure.

3.De feiten

3.1
De vrouw is [in ] 2005 te Polen gehuwd met [naam1]
. De echtscheiding tussen de vrouw en de heer [naam1] is op 14 juli 2009 door de Poolse rechtbank uitgesproken.
3.2
[in ] 2009 is [de minderjarige1] , geboren te [plaats1] in Polen (hierna: [de minderjarige1] ). Uit de overgelegde geboorteakte van [de minderjarige1] blijkt dat [naam1] zijn juridische vader is. De man is de biologische vader van [de minderjarige1] .
3.3
De man en de vrouw hebben sinds 2008 een affectieve relatie en zijn [in ] 2014 te [plaats1] (in Polen) met elkaar gehuwd. Zij hebben beiden de Poolse nationaliteit.
[in ] 2012 is [de minderjarige2] te [woonplaats2] (hierna: [de minderjarige2] ) geboren.

4.Het geschil

4.1
Bij verzoekschrift van 22 juni 2021 heeft de man de rechtbank verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de echtscheiding uit te spreken, kosten rechtens.
4.2
Bij verweerschrift, tevens zelfstandige verzoeken, heeft de vrouw de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met ingang van
15 september 2021:
I. het verzoek van de man ten aanzien van de echtscheiding toe te wijzen;
En bij wijze van zelfstandige verzoeken
II. tussen partijen, gehuwd [in ] 2014 te [plaats1] (Polen), de echtscheiding uit te spreken;
III. het hoofdverblijf van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te bepalen bij de vrouw;
IV. te bepalen dat de man, ingaande per 1 januari 2018, een nader te bepalen bijdrage dient
te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij
vooruitbetaling, voor de 1e dag van iedere kalendermaand, aan de vrouw te voldoen;
V. althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank juist acht;
VI. kosten rechtens.
4.3
Bij aanvullend verzoek van 25 november 2021, heeft de vrouw de rechtbank verzocht:
I. te bepalen dat de man, ingaande per 1 januari 2018, dient bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van de minderjarigen ten bedrage van € 191,00 per kind per
maand, telkens bij vooruitbetaling, voor de 1e dag van iedere kalendermaand, aan de
vrouw te voldoen;
II. althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank juist acht;
III. kosten rechtens.
4.4
Bij beschikking van 19 juli 2021 heeft de kantonrechter van rechtbank Gelderland de goederen van de vrouw onder bewind gesteld.
4.5
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

4.1 de echtscheiding uitgesproken tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn [in ]
2014 in [plaats1] (in Polen);
4.2.
de vrouw niet ontvankelijk verklaard in de verzoeken om de hoofdverblijfplaats van:
- [de minderjarige1] , geboren [in ] 2009 te [plaats1] (in Polen) bij haar te bepalen en haar verzoek om ten aanzien van [de minderjarige1] een bijdrage in de kosten van zijn verzorging en opvoeding te bepalen;
4.3.
bepaald dat het minderjarige kind [de minderjarige2] , geboren [in ] 2012 te [woonplaats2] , haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;
4.4.
bepaald dat de man met ingang van 25 november 2021 als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] aan de vrouw zal betalen € 191 per maand, vanaf nu
telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.5.
bepaald dat de onder 4.3 en 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij voorraad;
4.6.
bepaald dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
4.7.
het meer of anders verzochte afgewezen.”
4.6
De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 maart 2022. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek om kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] ) en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:
I. de man met ingang van 25 november 2021 als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding van [de minderjarige1] € 191,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling voor de
1e dag van iedere kalendermaand aan de vrouw te voldoen;
II. althans een zodanige beschikking af te geven als het hof juist acht.
4.7
De man heeft geen verweer gevoerd.

5.De overwegingen voor de beslissing

5.1
Op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008) is de Nederlandse rechter - onder meer - bevoegd indien het alimentatieverzoek als nevenverzoek in de echtscheidingsprocedure is ingediend en de Nederlandse rechter in die procedure bevoegd is (sub c). De rechtbank heeft terecht rechtsmacht aangenomen met betrekking tot het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Ook het hof is in hoger beroep bevoegd om van de zaak kennis te nemen.
5.2
De vrouw heeft niet gegriefd tegen toepassing door de rechter van Nederlands recht, zodat het hof evenals de rechtbank Nederlands recht zal toepassen.
5.3
De rechtbank heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] omdat de man niet de juridische vader is van [de minderjarige1] .
5.4
De vraag die beantwoord moet worden is of de man gehouden kan worden een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] te betalen. Onbetwist is gesteld dat de man de biologische vader is van [de minderjarige1] . De juridische vader van [de minderjarige1] , de heer [naam1] , is de ex-echtgenoot van de vrouw. Volgens de wet is hij onderhoudsplichtig voor [de minderjarige1] . Het wettelijke stelsel van onderhoudsverplichtingen kan op grond van artikel 8 EVRM Pro doorbroken worden in gevallen waarin de aanspraak op de wettige ouder niets oplevert, of waarin van de onderhoudsgerechtigde niet gevraagd kan worden de wettige ouder aan te spreken.
5.5
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat in dit geval plaats is voor doorbreking van het wettelijk stelsel. De juridische vader van [de minderjarige1] woont in Polen. De heer [naam1] is aangemerkt als juridisch vader omdat [de minderjarige1] is geboren binnen 300 dagen na de echtscheiding. De moeder heeft onweersproken gesteld dat zij een procedure is gestart in Polen tot ontkenning vaderschap van de heer [naam1] . Aangezien de man, zijnde de biologische vader van [de minderjarige1] , niet in die procedure is verschenen heeft de rechtbank in Polen geen uitspraak gedaan.
De vrouw heeft gesteld dat zij samen met de man [de minderjarige1] heeft opgevoed. De juridisch vader van [de minderjarige1] heeft hem nooit gezien. Het hof vindt dat in deze omstandigheden niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij de juridisch vader van [de minderjarige1] in Polen aanspreekt op een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Ook kan van de juridische vader niet worden gevergd dat hij kinderalimentatie moet betalen voor [de minderjarige1] .
5.6
Het is wel in het belang van [de minderjarige1] dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt betaald. Het hof vindt dat de man deze bijdrage moet betalen omdat tussen [de minderjarige1] en zijn biologische vader een als familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro aan te merken betrekking bestaat. Het hof vindt ook belangrijk dat de man op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft verklaard dat hij het door de vrouw verzochte bedrag aan kinderalimentatie voor zijn beide kinderen wil betalen. In de bestreden beschikking staat namelijk dat door en namens de man is verklaard dat hij kan instemmen met de door de vrouw verzochte bijdrage en dat hij bereid is om een bedrag van € 191,- (per kind) per maand te betalen aan kinderalimentatie. Anders dan de rechtbank zal het hof daarom het verzoek van de vrouw alsnog toewijzen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking, voor wat betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 21 maart 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 25 november 2021 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] € 191,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling voor de 1e dag van iedere kalendermaand aan de vrouw te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, H. Phaff en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 2 maart 2023 uitgesproken door
mr. S. Kuijpers in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.