AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie onnodig toeteren met wijziging feitcode en verlaging boete
De betrokkene was door de officier van justitie gesanctioneerd voor het veroorzaken van onnodig geluid met een motorvoertuig door langdurig te claxonneren. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid, zonder rekening te houden met het draagkrachtverweer.
In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de kantonrechter ten onrechte het draagkrachtverweer negeerde en dat bij verwerping daarvan een nadere termijn voor zekerheidstelling had moeten worden gegeven. Het hof stelde vast dat het draagkrachtverweer inderdaad niet was meegewogen en vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter.
Het hof behandelde vervolgens inhoudelijk de zaak. Uit het dossier bleek dat het claxonneren viel onder het geven van niet-toegestane signalen (feitcode R419) en niet onder onnodig geluid veroorzaken (feitcode R522). De feitcode werd daarom gewijzigd en de sanctie verlaagd van €390,- naar €95,-. Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.
Uitkomst: De feitcode werd gewijzigd naar niet-toegestane signalen geven en de sanctie verlaagd naar €95,- met vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.312.784/01
CJIB-nummer
: 233412533
Uitspraak d.d.
: 3 maart 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 3 mei 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 februari 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld en er geen aanleiding is te oordelen dat dit verzuim niet aan de betrokkene zou mogen worden toegerekend.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert - naar het hof begrijpt - in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gevoerde draagkrachtverweer. Indien geen zekerheid is gesteld en het draagkrachtverweer wordt verworpen, moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog zekerheid te stellen.
3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling op grond van de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Uit vaste rechtspraak van dit hof volgt dat wanneer er een draagkrachtverweer wordt gevoerd de kantonrechter, als hij het aangevoerde over de financiële draagkracht ongegrond acht, de betrokkene een nadere termijn moet gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.
4. Het hof stelt vast dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer is gevoerd. Bij brief van 23 maart 2022 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 3 mei 2022. In deze brief is opgemerkt dat mogelijk niet het volledige bedrag aan zekerheid is gesteld en dat als dit zo is, de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Verder is vermeld dat de kantonrechter dit verzuim verschoonbaar kan achten als daarvoor een geldige, met financiële stukken onderbouwde, verklaring is en dat deze argumenten uiterlijk een week voor de zitting kunnen worden ingediend.
5. In deze zaak is niet gehandeld volgens het bepaalde in overweging 3. Uit de beslissing van de kantonrechter valt namelijk niet af te leiden dat met het draagkrachtverweer rekening is gehouden. Daarom kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.
6. In beginsel moet de zaak, gelet op het bepaalde in artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, worden teruggewezen naar de kantonrechter. De gemachtigde heeft het hof echter verzocht om de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank, maar zelf af te doen. De betrokkene heeft namelijk alsnog zekerheid gesteld. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft dit bevestigd en zich niet verzet tegen een inhoudelijke behandeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 390,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken (feitcode R522)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 april 2020 om 20.30 uur op de Bemmelsedijk in Lent met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De gemachtigde voert aan dat uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er een sanctie is opgelegd vanwege het gebruik van de claxon. In dat geval had echter geschreven moeten worden voor de gedraging behorend bij feitcode R419, waarvoor een (aanzienlijk) lager sanctiebedrag geldt. De gemachtigde verzoekt primair om de feitcode te wijzigen. Voor zover het voorgaande geen doel treft wordt subsidiair verzocht het bedrag van de sanctie te matigen tot € 250,-, omdat het boetebedrag voor de feitcode R522 per 1 maart 2022 is verlaagd naar dit bedrag.
9. De advocaat-generaal verzoekt de feitcode te wijzigen in R419: “signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan”.
10. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de personenauto op 2 tegemoetkomende fietsers af reed. Ik hoorde dat het motorgeluid harder werd en ik zag dat de personenauto rakelings langs de fietsers reed en ik hoorde dat hij hierbij gedurende ongeveer 5 seconden claxonneerde. De personenauto reed hierbij niet zoveel mogelijk aan de rechterzijde van de rijbaan. Hij reed hierbij gedeeltelijk aan de zijde van de weg bedoeld voor het tegemoetkomende verkeer. (…)”
12. Het dossier bevat een aanvullend proces-verbaal van 30 juli 2020, waarin de ambtenaar reageert op de vraag van de officier van justitie of de betrokkene naast het claxonneren ander onnodig geluid maakte en - indien dit niet het geval is - of de juiste feitcode is gebruikt. De ambtenaar verklaart het volgende:
“Door mij werd feitcode R552 (art. 57 RVVPro) ten laste gelegd omdat er met de claxon onnodig geluid werd veroorzaakt door tenminste 5 seconden het harde geluid van de claxon te laten horen. De claxon is een onderdeel van het voertuig. Er werd dus onnodig geluid veroorzaakt met het voertuig. Tevens hoorde ik dat tegelijkertijd het motorgeluid harder werd dan gangbaar is. Deze combinatie zorgde ervoor dat de aandacht werd getrokken van de in de omgeving aanwezige personen. Dit alles zonder aanwijsbare reden en kennelijk bedoeld om stoer te doen en mensen te laten schrikken of angst aan te jagen. Feitcode R419 (art. 28 RVVPro) gaat over het geven van geluidssignalen en knippersignalen. Een signaal is het geven van een “teken” of “sein”. Naar mijn beoordeling werd er geen “teken of sein” gegeven en dus geen (geluids)signaal gegeven. De claxon was het middel waarmee onnodig geluid werd veroorzaakt. (…)”
13. De bij feitcode R522 behorende gedraging betreft een overtreding van artikel 57 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dat artikel luidt:
“Bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers mogen met hun voertuig geen onnodig geluid veroorzaken.”
14. De Nota van toelichting op deze bepaling houdt in:
“Deze bepaling vervangt de artikelen 93, onderdeel f, en 98 van het RVV 1966. Bij het verbod onnodig geluid te veroorzaken moet men met name denken aan het telkens geven van gas bij het stilstaan. Het hierdoor veroorzaakte kabaal is niet alleen vervelend voor de medeweggebruikers maar ook voor aanwonenden.”
“Bestuurders mogen slechts geluidssignalen en knippersignalen geven ter afwending van dreigend gevaar.”
16. De Nota van toelichting op deze bepaling houdt in:
“Hiervoor werd reeds aangegeven dat de formulering het gebruik van signalen in andere gevallen dan ter afwending van dreigend gevaar, uitsluit. Daaruit volgt impliciet dat het geven van signalen niet langer mag geschieden dan voor dat doel noodzakelijk is”.
17. Artikel 31 vanPro het RVV 1990 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Signalen mogen niet worden gegeven (…) in andere gevallen of op andere wijze dan bij of krachtens de artikelen in deze paragraaf is bepaald.”
18. Uit de tekst van de artikelen 28, 31 en 57 van het RVV 1990 en de op eerst- en laatstgenoemde bepaling gegeven toelichting volgt dat het geven van geluidssignalen niet wordt beheerst door het bepaalde in artikel 57 vanPro het RVV 1990, maar door het bepaalde in de artikelen 28 en 31 van het RVV 1990.
19. Het voorgaande brengt mee dat het onderhavige claxonneren niet de gedraging “als bestuurder van een motorvoertuig of als bromfietser c.q. snorfietser onnodig geluid veroorzaken” (feitcode R522) oplevert. Voor zover de ambtenaar in de aanvullende verklaring heeft aangegeven dat tijdens het claxonneren ook het motorgeluid van het voertuig harder werd dan gangbaar is, is het hof van oordeel dat hier niet zonder meer uit volgt dat daarmee sprake is van onnodig geluid veroorzaken. Zo wordt onder andere niets verklaard over hoe het geconstateerde geluid zich verhield tot het “normale” geluid van het betreffende voertuig.
20. Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om de feitcode te wijzigen in feitcode R419 die hoort bij de gedraging “signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan”. Volgens vaste rechtspraak van dit hof is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen als de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Nu het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde blijft, de gemachtigde en de advocaat-generaal hebben verzocht tot wijziging van de feitcode en de hoogte van het bedrag van de sanctie van laatstgenoemde gedraging lager is, te weten € 95,- , dan het bedrag van de sanctie van de in de inleidende beschikking genoemde gedraging, is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode niet in zijn belangen is geschaad.
21. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en een nadere toelichting en het bijwonen van de (eerste) zitting bij de kantonrechter op 15 februari 2022 en de zitting bij het hof dienen in totaal 5,5 punten te worden toegekend. Voor het telefonisch horen in administratief beroep zal het hof met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht 0,5 punt (eerste telefonische hoorzitting) en 0,25 punt (nadere telefonische hoorzitting) toekennen. Voor de nadere zitting, anders dan na tussenuitspraak, bij de kantonrechter op 3 mei 2022 zal het hof 0,5 punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 597,- en voor het (hoger) beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 2.614,88 ((1,75 x € 597,- x 0,5) + (5 x € 837,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie, gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre, dat de omschrijving van de gedraging en de bijbehorende feitcode wordt vastgesteld op “signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan” (feitcode R419) en het bedrag van de sanctie op € 95,-;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 2.614,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.