Uitspraak
verzoeker in het wrakingsincident,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In een civiele procedure betreffende een omgangsregeling en ondertoezichtstelling heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid en schending van het recht op hoor en wederhoor, mede vanwege het overnemen van een advies van de raad voor de kinderbescherming en de wijze waarop de zitting was verlopen.
Het wrakingsverzoek werd deels niet-ontvankelijk verklaard omdat het meer dan twee maanden na de zitting was ingediend, terwijl verzoeker bewust had afgezien van wraking tijdens de zitting. De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsmiddel niet gebruikt kan worden als verkapt rechtsmiddel tegen onwelgevallige tussenbeschikkingen.
De wrakingskamer stelde vast dat er geen objectief gerechtvaardigde aanwijzingen waren voor vooringenomenheid van de raadsheren. De motivering van de tussenbeschikking en de procedurele gang van zaken boden geen grond om aan te nemen dat de rechters niet onpartijdig waren. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.