ECLI:NL:GHARL:2023:1984

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 maart 2023
Publicatiedatum
8 maart 2023
Zaaknummer
GEMW 200.309.130/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Afvalstoffenverordening AmsterdamArt. 154b GemeentewetArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor afvalstoffenverordening Amsterdam na onduidelijkheid over eigendom doos

Eiser werd een bestuurlijke boete van €95 opgelegd wegens het aanbieden van huishoudelijk afval ter inzameling door een ander dan de gebruiker van het perceel, in strijd met artikel 6 van Pro de Afvalstoffenverordening Amsterdam. De overtreding vond plaats op 17 januari 2021 op een locatie in Amsterdam waar een kartonnen doos met het adres en naam van eiser werd aangetroffen.

Eiser voerde aan dat hij die dag niet op de locatie was en dat de doos eigendom was van Kruidvat, niet van hem, en dat zijn schoonzus de doos mogelijk bij het grofvuil had geplaatst. Verweerder betwistte dit en stelde dat de doos niet op het juiste tijdstip en op de juiste wijze was aangeboden.

Het hof oordeelde dat het bewijsvermoeden dat degene aan wie de afvalstoffen kunnen worden herleid ook de overtreder is, geldt tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Eiser gaf echter geen concrete, gedetailleerde en objectief onderbouwde verklaring voor het zonder zijn toedoen belanden van de doos op straat. Daarom werd hij terecht als overtreder aangemerkt en werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de bestuurlijke boete van €95 wegens overtreding van de afvalstoffenverordening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.309.130/01
Uitspraak d.d.
: 8 maart 2023
Arrestop het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2022, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard. Dit beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerk [nummer1] .

Het verloop van de procedure

Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
Verweerder heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. De bestuurlijke boete bedraagt € 95,- en is opgelegd voor overtreding van artikel 6 van Pro de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent afvalstoffen (Afvalstoffenverordening 2009, hierna: de Afvalstoffenverordening). De overtreding zou zijn begaan op 17 januari 2021 op de [adres] ter hoogte van huisnummer [nummer2] in Amsterdam.
2. Artikel 6 van Pro de Afvalstoffenverordening luidt als volgt:
“Het is anderen dan gebruikers van percelen binnen de grenzen van de gemeente verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden binnen die grenzen.”
3. In een door of onder verantwoordelijkheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar opgesteld overtredingsrapport staat onder meer de volgende verklaring van twee bij verweerder werkzame toezichthouders:
“Ik zag dat op bovengenoemde locatie huishoudelijk afval werd aangeboden ter inzameling door een ander dan de bewoner van dat perceel. Dat overtreder de aanbieder was bleek mij uit het correspondentieadres op naam van de betrokkene. Het aangetroffen etiket op de kartonnen doos (…) met daarop de NAW-gegevens van de betrokkene.”
4. Bij het rapport zijn enkele foto’s gevoegd, waarop is te zien dat op straat naast een inzamelvoorziening een (platgemaakte) kartonnen doos ligt met logo’s van Kruidvat. Op de doos zit een adresetiket waarop, op de voor de geadresseerde bestemde plek, de naam- en het (toenmalige) adres van eiser in [plaats1] zijn vermeld. Het adresetiket is gedateerd op 7 januari 2021.
5. Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat sprake is van juridische ongelijkheid, nu beslistermijnen voor verweerder slechts richtlijnen zijn terwijl voor eiser harde termijnen gelden.
6. De wet verbindt geen gevolgen aan het overschrijden van de beslistermijn. Het staat de rechter niet vrij de innerlijke waarde en billijkheid van een wet te beoordelen (zie artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen). Eiser beroept zich kennelijk op het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel houdt in dat iedere burger gelijk moet worden behandeld maar heeft geen betrekking op bestuursorganen. Het argument van eiser slaagt dan ook niet.
7. Eiser betwist daarnaast dat hij de overtreding heeft begaan. Hij is die dag niet op de betreffende locatie geweest en kan dit met mobiele telefoongegevens aantonen. Eiser is ook geen eigenaar van de doos; dat is Kruidvat. Eiser stelt dat de doos bij het grofvuil is geplaatst door zijn ter plaatse woonachtige schoonzus.
8. Verweerder wijst er in zijn verweerschrift op dat grofvuil eerst na 21.00 uur ’s avonds mag worden aangeboden en daarnaast dat karton in de papiercontainer behoort te worden aangeboden. Ten aanzien van de stelling van eiser dat hij daar die dag niet is geweest, merkt verweerder op dat dit niet uitsluit dat eiser de doos op een eerder moment heeft achtergelaten. Dat de doos er door een daar wonend familielid is neergezet, zoals eiser stelt, vindt verweerder niet aannemelijk. Niet duidelijk is waar zij precies woont en hoe zij de doos in haar bezit zou hebben gekregen. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat niet valt in te zien waarom eiser dit argument pas in hoger beroep naar voren brengt.
9. In reactie op het verweerschrift geeft eiser te kennen dat het hem voorafgaand aan de zitting van de kantonrechter niet duidelijk was dat het eigenaarschap van de doos relevant was. Om die reden had hij alleen geprobeerd aan te tonen dat hij niet ter plaatse is geweest. Eiser heeft de naam en het adres van zijn schoonzus vermeld. Zij woont volgens eiser in de straat waar de doos is gevonden. Eiser merkt tot slot op dat de doos grofvuil bevatte.
10. Vaststaat dat op voormelde datum en tijd een kartonnen doos op straat is aangetroffen met daarop de naam- en adresgegevens van eiser. Niet in geding is verder dat eiser ten tijde van de overtreding geen gebruiker was van een perceel binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam en dus niet bevoegd daar afval ter inzameling aan te bieden. De vraag die voorligt is of eiser als overtreder kan worden aangemerkt. In dat verband is van belang dat in de regel mag worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden. Naast de fysieke overtreder kan onder omstandigheden ook degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling wel is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt (vgl. de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 11 november 2015, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:RVS:2015:3447).
11. Van eiser wordt niet verwacht dat hij onomstotelijk aantoont dat hij de overtreding niet heeft begaan. Het bewijsvermoeden dat degene tot wie de afvalstoffen kunnen worden herleid ook de overtreder is, kan worden weerlegd door het aannemelijk maken van het tegendeel. Dat kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek. Ook zou met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen worden gemaakt dat hij of zij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten. Als daarmee voldoende twijfel ontstaat over de aanname op grond van het bewijsvermoeden dat hij de overtreder is, dan is het vervolgens weer aan het bestuursorgaan om die twijfel en het geleverde tegenbewijs te weerleggen. In dat geval kan het bestuursorgaan niet langer volstaan met een beroep op het bewijsvermoeden (vgl. ABRvS 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1558).
12. Eisers stelling dat hij die dag niet in Amsterdam is geweest, maakt niet dat hij niet in de gelegenheid is geweest om de doos ter plaatse achter te laten. Dat kan immers op een eerder moment dan 17 januari 2021 zijn geweest. Voor het overige heeft eiser volstaan met een verwijzing naar zijn ter plaatse wonende schoonzus en naar Kruidvat, de afzender van het pakket. Daarmee is naar het oordeel van het hof geen concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring gegeven voor het, zonder toedoen van eiser, belanden van de doos op die plek. Daarbij betrekt het hof mede de omstandigheid dat de doos blijkens het etiket op 7 januari 2021 naar eiser is verzonden. Het had op de weg van eiser gelegen om te verklaren hoe de kennelijk door hem ontvangen doos minder dan tien dagen later in Amsterdam op straat terecht is gekomen. Eiser heeft dat niet gedaan.
13. Uit het voorgaande volgt dat eiser terecht als overtreder is aangemerkt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.