ECLI:NL:GHARL:2023:203

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 januari 2023
Publicatiedatum
10 januari 2023
Zaaknummer
Wahv 200.309.526/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArtikel 5, achtste lid, RVV 1990
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder bij niet vastgestelde identiteit bestuurder snorfiets

De betrokkene werd een sanctie van €95 opgelegd wegens het niet gebruiken van de rijbaan als snorfietser op de Ringdijk in Amsterdam op 19 december 2019. De betrokkene stelde zich op het standpunt dat de sanctie onterecht was opgelegd aan de kentekenhouder, omdat de bestuurder wel was gesproken en haar identiteit niet was vastgesteld.

De gemachtigde voerde aan dat er geen verkeersbesluit was dat het gebruik van de rijbaan verplicht stelde, maar het hof wees op het verkeersbesluit van 11 december 2018 dat dit wel voorschrijft en dat dit besluit in het dossier aanwezig is. Verder bleek uit de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder geëmotioneerd was en aangaf met spoed naar haar kind te moeten, waardoor zij zonder identiteitsbewijs vertrok en niet terugkwam om haar identiteit vast te stellen.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar redelijk heeft gehandeld door de bestuurder te laten gaan gezien de omstandigheden en dat de sanctie daarom terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De sanctie van €95 werd terecht aan de kentekenhouder opgelegd en het hoger beroep werd afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.309.526/01
CJIB-nummer
: 232406808
Uitspraak d.d.
: 10 januari 2023
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2022, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als snorfietser niet de rijbaan gebruiken waar dit verplicht is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 december 2019 om 17:11 uur op de Ringdijk in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert onder meer aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld, nu uit artikel 5, achtste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voortvloeit dat er een verkeersbesluit is waarin is bepaald dat snorfietsers de rijbaan moeten gebruiken, maar uit het dossier in deze zaak niet blijkt dat een dergelijk verkeersbesluit is genomen.
3. Deze grond treft geen doel. Het hof wijst hiertoe op het “Verkeersbesluit snorfiets naar de rijbaan met helmplicht te Amsterdam” van 11 december 2018, dat op 17 december 2018 is gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 74559 en dat zich, zoals de advocaat-generaal in het verweerschrift ook heeft opgemerkt, wel bij de stukken van het dossier bevindt. Hierin is onder meer ten aanzien van het fietspad op de Ringdijk bepaald dat snorfietsen daarop niet is toegestaan (p. 14).
4. Voorts stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de sanctie ten onrechte niet aan de bestuurder maar aan de kentekenhouder is opgelegd, nu uit de verklaring van de ambtenaar ondubbelzinnig blijkt dat er contact is geweest met de bestuurder.
5. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd.
6. Bij de stukken bevindt zich een zaakoverzicht met de verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang:
“Betrokkene gaf geëmotioneerd aan dat zij met spoed naar haar kind moest. Ook gaf zij aan geen identiteitsbewijs bij haar te hebben. Ik heb haar vervolgens laten gaan met de afspraak om later terug te komen. Zij kwam niet terug.”
7. Voorts bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 17 januari 2022. Hierin verklaart de ambtenaar dat de sanctie is uitgeschreven op naam van de kentekenhouder omdat hij de identiteit van de bestuurster niet heeft vastgesteld met een geldig document. Voorts verklaart hij dat hij tijdens het gesprek met de bestuurster op straat wel een naam en een adres van de bestuurster heeft gekregen, te weten [kenteken] , [adres] te [woonplaats] , dat hij ‘s-avonds op dat adres is geweest, dat er niemand thuis was, dat hij een contactkaart in de brievenbus heeft achtergelaten, dat hij de volgende dag is gebeld door een persoon die zich voorstelde als mevrouw [de betrokkene] en dat die te kennen gaf dat zij geen verklaring wilde (komen) afleggen op het kantoor van de ambtenaar.
8. Het hof stelt vast dat de ambtenaar meteen na het constateren van de gedraging met de bestuurster heeft gesproken en toen heeft geprobeerd om haar identiteit vast te stellen, maar dat hij daar toen niet afdoende in is geslaagd. Dat houdt verband met de door de bestuurster van het voertuig op dat moment aangevoerde omstandigheden. Niet kan worden geoordeeld dat de ambtenaar in redelijkheid niet de bestuurster van het voertuig had mogen toestaan te vertrekken zonder dat haar identiteit was vastgesteld. Gelet hierop is de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Ook deze grond slaagt niet.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.